Vredesmissies

De heer S. Rozemond stelt in zijn brief (NRC Handelsblad, 6 sept.), dat ik in een vraaggesprek met deze krant ten onrechte `herhaaldelijk bekommernis om de moraal en om de internationale orde aan elkaar gelijk' stel. Dit komt mij vreemd voor, want in dat gesprek wilde ik nu juist aangeven dat de Nederlandse inzet ten behoeve van een internationale rechtsorde niet als een hogere, door God gegeven missie moet worden gezien, maar juist in termen van eigenbelang. Het is verstandig beleid voor een `middelgrote natie in zakformaat' met een open economie een dergelijke rechtsorde na te streven. Ik ben het bovendien met Rozemond eens dat moralisme en opportunisme maar al te vaak twee handen op één buik zijn; daar gaat mijn boek tenslotte over.

Teruglezend ben ik van mening dat ik het in het vraaggesprek helder heb verwoord: `Het is niet erg om op te komen voor de zwakken, het is niet erg dat Nederland een internationale rechtsorde nastreeft. Maar laten we nooit vergeten dat we dat uit eigenbelang doen.' Wanneer de heer Rozemond de moeite neemt mijn boek te lezen, zal hij zien dat ik het streven naar een rechtsorde (`legalisme') en het stellen van morele voorbeelden (`moralisme') separaat behandel. Bovendien zal hij verheugd zijn om te constateren dat ook ik verwijs naar de grondwettelijke plicht van de regering een internationale rechtsorde na te streven. De begripsverwarring geeft wellicht aan dat behoefte bestaat aan nieuwe axioma's voor het Nederlands buitenlands beleid, nu we de oude niet meer vertrouwen.