STAMCELTRANSPLANTAAT HELPT SOMMIGE MENSEN MET NIERCELKANKER

Amerikaanse onderzoekers hebben patiënten met uitgezaaide niercelkanker behandeld met bloedstamcellen van een donor. Bij 10 van de 19 patiënten werd de kanker teruggedrongen. Bij drie daarvan verdween de tumor zelfs helemaal. Bij één patiënt bleef hij even groot. Acht patiënten reageerden niet op de nieuwe therapie. Twee patiënten, waarbij de tumor overigens wel reageerde, overleden aan een complicatie, de graft-versus-host disease. De therapie is dus nog verre van perfect, maar biedt aanknopingspunten voor een effectievere behandeling (New England Journal of Medicine, 14 sept).

Niercelkanker is een uiterst agressieve ziekte: de meeste patiënten overlijden binnen een jaar na de diagnose. Chemo- of radiotherapie halen niets uit. Een kleine groep patiënten reageert echter goed op behandeling met interleukine-2 en interferon. Deze stoffen stimuleren cellen van het immuunsysteem die kankercellen kunnen vernietigen, zoals cytotoxische T-lymfocyten. Deze witte bloedcellen zijn bij kankerpatiënten echter sterk in aantal verminderd, zodat een kunstgreep nodig is om ze op peil te brengen. Daarvoor is al eens beenmergtransplantatie geprobeerd.

De nu gekozen nieuwe aanpak met bloedstamceltransplantatie is in wezen een verfijning van de al langer toegepaste beenmergtransplantatie. Beenmerg bevat grote hoeveelheden bloedstamcellen, waaruit in principe elk type bloedcel kan ontstaan. Uit de stamcellen ontstaan nieuwe T-lymfocyten, die zich tegen de kankercellen richten. Omdat de nieuwe afweercellen van een donor afkomstig zijn, bestaat de kans dat zij zich ook tegen gezonde weefsels van de ontvanger keren. Dat gebeurt bij de graft-versus-host disease. Uit dierproeven is echter bekend dat de kans hierop kan worden teruggedrongen door de nieuwe T-cellen aan de weefsels van de gastheer te laten `wennen'.

Bij de klassieke beenmergtransplantatie gebeurt dit niet. Voorafgaand aan de toediening van nieuw beenmerg wordt eerst al het eigen beenmerg van de patiënt vernietigd met agressieve chemo- of radiotherapie. Na de transplantatie zijn er dan van meet af alleen T-cellen van de donor. Bij bloedstamceltransplantatie wordt het beenmerg van de patiënt gespaard. Hem blijft dus een agressieve therapie met veel bijwerkingen bespaard. In plaats daarvan wordt zijn afweer met medicijnen onderdrukt, als bij een orgaantransplantatie. De stamcellen van de donor worden dan ook niet afgestoten en krijgen een poosje de tijd om het tekort aan T-cellen aan te vullen. Een tweede generatie donorcellen groeit daarna op in het lichaam van de patiënt. Omdat ook hun activiteit is onderdrukt doen ze niets. Na minstens een maand zijn vrijwel alle T-cellen van de patiënt afkomstig van de donor. Als dan de onderdrukte afweer weer wordt geactiveerd, vallen de nieuwe T-cellen de tumor aan en vernietigen hem, terwijl ze de gezonde cellen van de ontvanger met rust laten. Het principe werkt vaak, maar niet altijd. Volgens de auteur van een redactioneel commentaar echter vaak genoeg om er hoop uit te putten.