Seksueel correct

In deze dagen van Olympisch wel en wee wordt er heel wat gemeten: de tijd om te bepalen wie de snelste is bij zwemmen, het aantal doelpunten om de winnaar aan te wijzen bij hockey, de hoeveelheid kilo's die iemand kan duwen of trekken, en ga zo maar nog heel erg lang door. Op die wijze kunnen we onomstreden vaststellen wie welke medaille verdient. In al deze gevallen hebben we te maken met een prestatie waar we vervolgens een methode bij kiezen om daar een cijfermatige vertaling aan te geven. Ook is vaak sprake van het omgekeerde: we willen ergens meer van weten, gaan van alles meten en stellen ons vervolgens de vraag welke conclusies we daaruit kunnen trekken. Zo ook in het volgende voorbeeld.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wilde inzicht krijgen in de effecten van de arbo-wet die werkgevers verplicht werknemers te beschermen tegen seksuele intimidatie, agressie en geweld. Daartoe werden meer dan 1500 mensen ondervraagd werkzaam in sectoren waarin sprake is van veelvuldig persoonlijk contact, zoals dienstverlening, gezondheidszorg en onderwijs. Van de ondervraagden was ongeveer een derde werkzaam in het onderwijs en daarvan weer was ongeveer de helft lid van de AOb, de algemene onderwijsbond. Ik ontleen deze gegevens aan een artikel in het blad van die bond, waarin hoofdredacteur Onno Bosma probeert de uitkomsten van dat onderzoek te verklaren.

De vragen hadden betrekking op drie aspecten: agressie en geweld, pesten en op seksuele intimidatie. In het algemeen blijken de AOb-leden meer te lijden te hebben onder agressie en geweld en pesten, dan leraren die lid zijn van het CNV, de christelijke bond. Bosma verklaart dit verschil uit het feit dat AOb-leden relatief vaak werkzaam zijn op scholen in het voortgezet onderwijs, op openbare scholen en in de grote steden.

Omdat het geweld voor een deel afkomstig is uit de hoek van de leerlingen speelt de leeftijd natuurlijk een rol. Van een woedende kleuter heb je niet zo veel te vrezen als van een op hol geslagen puber. En voor zowel grote steden als voor openbare scholen geldt dat ze vaak vergaarbakken zijn van probleemgevallen. Waar nog bij komt dat juist de beroepsbestuurders in de grote steden doorgaans meer begaan zijn met zichzelf en met modieuze politieke thema's dan met het wel en wee van de scholen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Dit in tegenstelling tot de veelal vrije tijdsbestuurders in confessionele kringen die zich voornamelijk laten leiden door de behoeften van de school.

Jammer is dat geen speciale aandacht wordt besteed aan de derde vorm van geweld die in dat onderzoek werd onderscheiden, namelijk seksuele intimidatie. Daaronder hebben de leden van de AOb niet twee keer zoveel, maar oneindig veel vaker te lijden dan hun christelijk georganiseerde collega's: 21 versus minder dan 1 procent. Dat dit verschil juist ten aanzien van dit geweldsaspect spectaculair is, laat zich moeilijk verklaren uit de door Bosma genoemde verschillen in werkomstandigheden. Daar had ik van hem dan ook graag wat speculaties over vernomen. Heeft de AOb een surplus aan mooie meiden waar niemand af kan blijven? Of heeft het wellicht iets te maken met politieke correctheid, met de drammerige preoccupatie met sekse in kringen die ooit werden aangeduid met de term progressief? In dat zelfde blad staat een artikel over het tekort aan leraren met als illustratie de foto van een spandoek van een school die een leerkracht zoekt. De tekst: JUF m/v GEZOCHT. Zoiets dus.