REKENEN 2

Op pagina 4 van de bijlage Wetenschap en Onderwijs (NRC Handelsblad, 9 september) las ik het artikel `Meisje slechter in reëel rekenen maar zet wel door' (?!). De strekking van het verhaal onder deze wat modderige kop was dat meisjes (gemiddelde van een veelvoud) minder goed zouden zijn in `realistisch rekenen' (dan het gemiddelde voor jongens). Hiervan werd het volgende voorbeeld gegeven: `Een dag voor aanvang (foei) zijn voor een popconcert 45.450 kaartjes verkocht. Vier procent is nog niet verkocht. Hoeveel kaartjes zijn er nog?'

Hiermee wordt dan vermoedelijk de vraag bedoeld hoeveel kaartjes er nog over zijn, dat wil zeggen nog niet verkocht. Het antwoord is dan 1.893,75 kaartjes. Mogelijk zie ik het probleem te moeilijk, en wordt er bedoeld hoeveel kaartjes er in totaal gemaakt zijn; er van uitgaaande dat ze na verkoop, een dag vóór het concert, nog niet verdwenen zijn. Het juiste antwoord is in dat geval naar mijn bescheiden mening 47.343,75.

Daar het waarschijnlijk niet mogelijk is om in fysieke zin 0,75 kaartje te bemachtigen, zullen deze aantallen vermoedelijk moeten worden afgeknot tot gehele getallen. Als deze antwoorden in feite met `realistisch rekenen' worden bedoeld, vind ik de opgave behoorlijk pittig. Een nadere uitleg (en de goede antwoorden) zouden dan wel op zijn plaats geweest zijn.

Wat mij stoort aan het artikel is dat uitgebreid zorg wordt besteed aan een niet ter zake doende `verpakking', een foto van een heus popconcert, terwijl de complexe inhoud van het RR voor de betreffende journalist of onderzoeker kennelijk nauwelijks van belang was. Of kan deze zelf soms niet zo goed `realistisch' rekenen?