Rechter hoeft niet direct journalist aan te spreken

Het gijzelen van een journalist die weigert zijn bron te noemen is een uitzonderlijke juridische dwangmaatregel. Waarom niet eerst gekozen voor een onderzoek naar het lek bij de politie?

,,Uitgangspunt is dat bescherming van de bronnen van een journalist een van de essentiële voorwaarden is voor de in een democratische samenleving bijzonder belangrijke persvrijheid.'' Dat verklaarde de Hoge Raad in mei 1996. Toch heeft het Amsterdamse gerechtshof nu verslaggever Koen Voskuil van het blad Spits laten gijzelen. De reden: hij weigert te zeggen wie zijn bron is van een bericht dat de inval bij de aangeklaagde wapencrimineel Mink K. doorgestoken kaart was.

Het is een uitzonderlijke dwangmaatregel. Het laatste serieuze precedent gaat terug tot de jaren vijftig. Toen werd redacteur Hommerson van het toenmalige dagblad Het Vrije Volk vastgezet omdat hij weigerde zijn bron te noemen in een smaadzaak. Het Amsterdamse gerechtshof bevestigde deze maatregel, maar toen al leidde hij tot heftige debatten in de Tweede Kamer. Dat was ver voor de uitspraak van de Hoge Raad.

Hoe valt de Amsterdamse beslissing van gisteren daarmee te rijmen? De Hoge Raad liet in 1996 een achterdeurtje. Toekenning van het recht getuigenis te weigeren, het zogeheten verschoningsrecht, blijft een belangenafweging. Dat is ook de verklaring van de hoofd-advocaat-generaal bij het Amsterdamse hof B.E.P. Myjer: de integriteit van de rechtspraak gaat hier boven de persvrijheid.

De ironie wil dat Myjer tevens hoogleraar mensenrechten is en begin jaren tachtig als rechter-commissaris te Zutphen zijn nek uitstak voor een – overigens beperkt – verschoningsrecht van een fotojournalist die opnamen had gemaakt van een illegale actie van het Dierenbevrijdingsfront. Daar is toen weinig van gekomen, maar het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg – de specialisatie van Myjer – zorgde in 1996 voor de doorbraak, zoals de Hoge Raad in de aangehaalde uitspraak met zoveel woorden erkende.

Journalisten kunnen niet buiten bronbescherming, zei het Straatsburgse hof. Anders zullen mensen die over belangrijk nieuws beschikken (vaak misstanden binnen de organisatie waarvan zij deel uitmaken) dat minder makkelijk prijsgeven uit vrees voor repressailles. De zaak-Mink K. is een schoolvoorbeeld. Als de door Voskuil gemelde truc waar blijkt te zijn, zou hij het bewijs tegen K. zodanig kunnen besmetten dat hij de hele zaak alsnog onderuit haalt. De geheime bron heeft alle reden peentjes te zweten als zijn rol uitkomt.

Het is begrijpelijk dat het Amsterdamse gerechtshof zwaar tilt aan de reportage in Spits. Maar de afweging van deze belangstelling tegen de persvrijheid is niet neutraal. Dat Spits een nieuwkomer is, in tegenstelling tot de gevestigde persorganen, mag geen rol spelen. Het zwaarwegende belang van de persvrijheid kan alleen opzij worden gezet door een ,,nog zwaarderwegend belang'', zei de Hoge Raad in 1996. Daarvoor lijkt op z'n minst vereist dat er werkelijk geen alternatief is dan druk te zetten op de journalist om het vertrouwen van zijn bron te beschamen.

In het geval van een politielek, zoals hier, valt te denken aan een degelijk intern onderzoek of het inschakelen van de Rijksrecherche. Voskuil suggereert dat zijn bron deel uitmaakte van het Nachtwachtlaan-onderzoek. Dat is een aanknopingspunt. Onderzoeken naar lekken hebben een groot ,,afbreukrisico'', zoals minister Korthals (Justitie) het vorig jaar april uitdrukte. Maar dat is geen reden voor de rechter direct terug te vallen op de journalist.