OLYMPISCHE HELDEN

In een ultieme test van minder dan tien seconden wordt bepaald wie de snelste man op aarde is. Als het startschot valt ademt de sprinter uit. De explosiviteit moet zo groot mogelijk zijn. Zonder met de hakken de baan te raken zijn de atleten na zestig meter op topsnelheid. Wie veertig meter later zijn borst als eerste over de finish drukt, heeft de belangrijkste gouden medaille. In 1924 sprintte de Brit Harold Abrahams in Parijs in 10,6 seconden naar de olympische triomf. Abrahams leven werd nooit meer hetzelfde. De sprinter werd later advocaat, schrijver en radio-commentator. Altijd bleef hij bekend, wat hij ook ging doen. Ook de nummer drie Arthur Porritt en nummer vijf Charles Paddock van de Spelen in Parijs konden later teren op hun roem. De Nieuw-Zeelander Porritt bracht het tot gouverneur-generaal en de Amerikaanse marine vernoemde een schip naar Paddock. In 1936 maakte Jesse Owens op de Spelen van Berlijn naam door als eerste zwarte, tegen de zin van toeschouwer Adolf Hitler, de honderd meter op zijn naam te schrijven. De laatste keer dat een blanke op de Spelen de sprint won, was in 1980 in Moskou. Toen won de Engelsman Allan Wells goud. In 1896 was de Amerikaan Thomas Burke in Athene in twaalf seconden de snelste. Zijn landgenoot Maurice Green liep in 1999 een wereldrecord van 9,79. Niemand heeft ooit sneller dan Green gelopen. In ruim een eeuw is de mens ruim twee seconden sneller geworden. In afstand is dat zo'n twaalf meter.