Monsters op de kaart

MIDDELEEUWSE kaarten zijn anders dan de onze. Vaak bestaan ze voor een belangrijk deel uit tekst en worden ze opgesierd met afbeeldingen van merkwaardige beesten, monsterachtige volken en legendarische figuren. De werkelijkheid achter die afbeeldingen was voor de Middeleeuwse mens even reëel als die van bergen, steden en dorpen, stelde Margriet Hoogvliet bij haar promotie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hoogvliet bestudeerde teksten en afbeeldingen op kaarten uit de 13de eeuw, en probeerde de betekenis daarvan te duiden. Hoogvliet: ``Ik onderzocht twee belangrijke typen kaarten. De meestal ronde wereldkaarten, of Mappae mundi, en de zogenaamde Portolaankaarten. Dat zijn kaarten van de Middellandse zee, die in Italië en het toenmalige Catalaanse rijk gemaakt werden.''

Hoogvliet selecteerde vier groepen afbeeldingen op de kaarten: plaatjes van imaginaire beesten, monstervolken, Alexander de Grote en priester-koning Johannes. ``De Middeleeuwse kaarten grijpen deels terug op kaarten uit de klassieke oudheid, maar dat geldt niet voor de afbeeldingen en tekstfragmenten. Uit kleine verschrijvingen in de tekst en iconografische details kun je afleiden dat daarvoor 13de eeuwse bronnen gebruikt moeten zijn.''

In die bronnen en in 13de-eeuwse teksten over de kaarten zocht Hoogvliet naar de betekenis van de kaartdetails. ``In de Middeleeuwen werd de natuur, het tastbare deel van de schepping, gezien als het tweede boek van God. Net als de bijbel kon die natuur op vier verschillende niveaus `gelezen' worden. Dat gebeurde onder andere in de Bestiaria, boeken waarin verschillende beesten beschreven, en allegorisch of moreel geduid worden.'' Uit de details op de kaarten blijkt dat voor een deel van de afgebeelde beesten is teruggegrepen op de Bestiaria. ``Zo vind je op een van de bekendste Mappae mundi, de zogenaamde Ebstorfkaart, het gehoornde bergdier Ibex. Die hoorns staan voor het oude en het nieuwe testament, het beest zelf is een symbool voor de geleerde mensen die die twee testamenten door hun interpretatie in harmonie kunnen brengen.''

Daarmee wordt de kaartgebruiker er voortdurend aan herinnerd dat hij kijkt naar een afbeelding van de schepping waarin verborgen boodschappen van de schepper verstopt zijn. Op de Ebstorfkaart gaat het zelfs een stapje verder. Hoogvliet: ``Daar zit Christus zelf, die ook als schepper wordt gezien, als het ware achter de kaart verstopt. Bovenaan zie je zijn hoofd, aan de zijkanten zijn handen en beneden zijn voeten. Dat accent op de vier hoeken van de wereld kun je weer in verband brengen met Middeleeuwse schema's waarin het getal vier heel belangrijk is. De vier evangelisten, de vier elementen, de vier windrichtingen die met bepaalde beesten en volkeren in verband werden gebracht. Zo'n kaart riep heel wat associaties op.''

De afbeeldingen van de monstervolken zijn gebaseerd op beschrijvingen uit oude boeken. Hoogvliet: ``In de Middeleeuwen, en lang daarna, werd kennis uit oude boeken als waarheid gezien. Zo is er een volk zonder hoofd, met ogen en neus op de borst, dat in Afrika werd afgebeeld. Die afbeeldingen gaan uiteindelijk terug op teksten uit de derde eeuw voor Christus, op beschrijvingen van India door mensen uit het gevolg van Alexander de Grote.'

De aanwezigheid van Alexander de Grote zelf hangt onder andere samen met drie altaren die hij achterliet, in het uiterste noorden, zuiden en oosten. Verder zou hij twee onreine volkeren, de Gog en de Magog, opgesloten hebben achter de Kaspische poort. Dat is mede een verwijzing naar het einde der tijden, want dan zullen de Gog en de Magog volgens het bijbelboek Openbaringen de Antichrist meehelpen de wereld te veroveren. Nog intrigerender zijn de afbeeldingen van priester-koning Johannes, een fictief maar voor de Middeleeuwers zeer reëel figuur. Hoogvliet: ``Aan het einde van de 12de eeuw verschijnen er berichten over een machtige christelijke koning in het Oosten. Er gaan zogenaamde brieven van hem circuleren, waarin hij aankondigt dat hij Jeruzalem wil veroveren. Dat zwengelde hier weer allerhande discussies over nieuwe kruistochten aan. Het spreekt vanzelf dat zijn rijk ook op de kaarten moest.''

Het zwaartepunt van Hoogvliet's onderzoek lag in de 13de eeuw, maar ze onderzocht ook hoe het verder ging. ``Ik keek globaal naar de ontwikkeling van de kaarten tot aan de renaissance. Vaak wordt gezegd dat de mensen toen naar de wereld gingen kijken zoals hij echt was, maar dat blijkt niet zo te zijn. Tot in het begin van de 17de eeuw vond ik afbeeldingen van legendarische beesten en monstervolken op de kaarten, en niets wees er op dat die minder serieus werden genomen dan in de Middeleeuwen. Ook toen bestond er naast de werkelijkheid zoals wij die zien de `legendarische empirie' van de oude teksten.''

De sterke scheiding die veel wetenschapsmensen aanbrengen tussen de Middeleeuwse cartografie en die uit de Renaissance is volgens Hoogvliet een 19de eeuwse uitvinding. ``Neem nu de idee dat de Middeleeuwer dacht dat de aarde plat was. Uit verschillende Middeleeuwse bronnen blijkt dat dat helemaal niet het geval is geweest. De aarde werd bijvoorbeeld vergeleken met een appel, waarover de mens kan lopen als een vlieg.''

Hoogvliet, die Frans en Kunstgeschiedenis studeerde, begon bij de afbeeldingen en teksten op kaarten, maar breidde haar onderzoeksterrein al doende uit. ``Het Middeleeuwse `Mappae mundi' kan ook op teksten slaan. Ik kwam er achter dat kaarten vaak uit twee elkaar aanvullende delen bestonden: een kaart en een tekst, die verschillende bergen, steden en rivieren aanduidden. Momenteel doe ik onderzoek naar voorstellingen uit de 16de eeuw waarop tekst en beeld geïntegreerd zijn.''