Meer artsen is geen remedie

Weg met de studentenstop voor de medische opleidingen – dan verdwijnen de wachtlijsten in de ziekenhuizen, meenden deze week premier Kok en Tweede Kamer.

De numerus fixus voor scholieren die arts of tandarts willen worden, heeft zijn langste tijd gehad, zo lijkt het. Premier Kok pleitte deze week, net zoals de Tweede Kamer, voor opheffing van deze studentenstop om via een toename van het aantal artsen de wachtlijsten in de ziekenhuizen te bestrijden.

Minister Borst (Volksgezondheid) praat er al enige tijd over met haar collega Hermans (Onderwijs). En in de begroting is geld uitgetrokken om een groter deel van de 4.500 scholieren die medicijnen willen studeren tot de opleiding toe te laten dan de 2.010 die deze maand aan die studie mochten beginnen.

De studentenstop werd in de jaren zestig ingevoerd. Een tijdelijke maatregel, zo heette het toen, omdat de universiteiten de toeloop niet aankonden. Twee nieuwe medische faculteiten (Rotterdam en Maastricht) zouden dat probleem oplossen, zo werd verwacht. Maar in de praktijk bood die uitbreiding onvoldoende soelaas.

De stop werd structureel, ook al omdat in de loop van de jaren andere argumenten voor de handhaving ervan de kop opstaken. Zo wilde de overheid geen ongeremde groei van het artsenbestand, om de kosten van de gezondheidszorg enigszins in de hand te kunnen houden. Uiteindelijk zouden de (hoge) kosten van de universitaire opleiding, het aantal stageplaatsen dat beschikbaar is voor de vervolgopleiding en vooral de wensen van de zittende huisartsen en medisch specialisten de belangrijkste redenen zijn voor het continueren van de numerus fixus tot nu toe.

Tot dusver bepalen met name de medisch specialisten het aantal nieuwe artsen dat wordt toegelaten: hun beroepsverenigingen bepalen hoeveel en welke opleiders er zijn en hoeveel stagiairs (arts-assistenten) er aan hun specialisatie mogen beginnen. Het zou immers een verspilling zijn om mensen een relatief dure, zeer beroepsgerichte studie te laten volgen waar ze vervolgens niet veel mee kunnen. Iets wat tot dusver overigens nooit helemaal is gelukt: al meer dan tien jaar werken er in de ziekenhuizen grote aantallen basisartsen die (nog) geen plaats in een vervolgopleiding hebben gevonden.

Zeker tot 1995 werd het aantal stageplaatsen voor de vervolgopleidingen laag gehouden. De specialisten werden per verrichting betaald en het geld dat zij landelijk konden verdienen, was aan een maximum gebonden. Ze hadden derhalve een direct belang bij het beperken van de instroom.

Nu ze in de meeste ziekenhuizen een gegarandeerd inkomen hebben – afhankelijk van het specialisme loopt dat uiteen van twee tot acht à negen ton – pleit hun vakorganisatie voor meer specialisten.

In hoeverre dat ook daadwerkelijk nodig is, is nog onduidelijk. Specialisten zouden korter willen gaan werken en velen zouden de voorkeur geven aan een deeltijdbaan. Binnenkort komt een commissie, met daarin ook artsen, met een schatting van het aantal benodigde medici. Uit een recente evaluatie van het tarievenbureau CTG blijkt dat het vaste inkomen van de specialisten in belangrijke mate de wachtlijsten veroorzaakt. Velen zijn met behoud van dat inkomen minder gaan werken (vaak nog geen 36 uur per week) en willen worden betaald voor `overwerk' dat nodig is om het gewone werk af te maken.

Afschaffen van de studentenstop kan er in elk geval toe leiden dat `de markt' haar werk doet, wat er op neer zou komen dat de hoogste inkomens van de specialisten worden `genormaliseerd'. Volgens beloningsdeskundigen komt dat gezien opleiding en verantwoordelijkheid dan neer op een inkomen dat vergelijkbaar is met een ervaren, universitair geschoolde ambtenaar (bij een aantal specialismen aangevuld met een onregelmatigheidstoeslag).

`De markt' kan daarna haar werk doen. Het is waarschijnlijk dat de belangstelling voor het artsenberoep zal afnemen als gevolg van het veranderde perspectief.

Een risico van het afschaffen van de numerus fixus is verdergaande medicalisering. Een arts wil werken, en als er meer van zijn, zal er meer hulp worden aangeboden. Dat aanbod schept zijn eigen vraag, wat kan leiden tot een forse stijging van de uitgaven voor de gezondheidszorg.

Voor de patiënt wordt het er niet zonder meer beter op: bij meer medische handelingen neemt de kans toe slachtoffer te worden van een medische misser. Tijdens de uitreiking, onlangs, van de prijs van de Bertelsmann Stiftung aan het Nederlands Huisartsen Genootschap werd daar nog eens op gewezen: Duitsland telt, per miljoen inwoners, veel meer artsen dan Zweden. Duitsers bezoeken die artsen ook vaker (de helft van de röntgenfoto's zijn overbodig), maar ze zijn daardoor niet gezonder en leven ook korter dan de Zweden. De extra kosten komen niet overeen met de prestaties, zo luidde dan ook de conclusie.