KLONEN VAN KLONEN ZIJN GEZOND MAAR STEEDS MOEILIJKER TE MAKEN

Doorgekloonde muizen vertonen tot in de zesde generatie geen gebreken, zoals vroegtijdige veroudering. Maar bij iedere volgende generatie is het wel moeilijker om klonen van klonen te produceren. In de zesde generatie waren er maar liefst 724 pogingen nodig om één levend dier te produceren (Nature, 21 sept).

De onderzoekers onder leiding van de Japanse kloonpionier Ryuzo Yanagimachi van de universiteit van Hawaii deden hun experiment in twee verschillende muizenlijnen. Ze kloonden door middel van kerntransplantatie. Ze plaatsten een cumuluscel – een begeleidende cel afkomstig uit de eierstok – in een lege, kernloze eicel, waarna het daaruit ontstane embryo in een draagmoeder werd geplaatst. In de ene muizensoort kwam het team van Yanagimachi niet verder dan de vierde kloongeneratie. Ondanks 670 pogingen slaagde zij er niet in een vijfde generatiekloon te maken. In de tweede lijn verliep het iets voorspoediger: daar bereikten zij de zesde generatie. 724 kerntransplantaties met cellen van de vijfde kloongeneratie leverde slechts één kloon van de zesde generatie op. Het noodlot wilde dat dit jong voordat het onderzocht kon worden door haar pleegmoeder werd opgegeten.

Door middel van diverse gedragstests onderzochten de wetenschappers het leervermogen van de gekloonde klonen. Ook beoordeelden ze de activiteit, conditie en lenigheid van de muizen. Uit niets bleek dat er iets mis was met deze doorgekopieerde dieren. Een van de kloonmuizen uit de vijfde generatie was na anderhalf jaar – een middelbare leeftijd voor een muis – nog in leven en gezond.

Om de veroudering op cellulair niveau te bepalen, onderzochten de kloonwetenschappers ook de lengte van de telomeren. Deze structuren aan de uiteinden van de chromosomen worden bij elke celdeling een stukje korter. Bij doorgekloonde dieren zou men dus extreem korte telomeren verwachten omdat het erfelijk materiaal van de uitgangscel al meer celdelingen heeft doorgemaakt dan de cellen in een bejaarde muis. Yanagimachi c.s. vonden echter precies het tegenovergestelde: met het vorderen der generaties werden de telomeren telkens iets langer. De onderzoekers hebben geen verklaring voor deze bevinding en de wetenschappelijke literatuur is ook tegenstrijdig. Eerder onderzoek aan kloonschaap Dolly wees op een verkorting van de telomeren, terwijl kloonkoeien juist langere telomeren hebben.