Kinderen zorgen voor aftrekpost

De belastingwet kent een aftrekpost voor ouders die een kind onderhouden dat zich financieel niet zelf kan redden. Op 26 augustus j.l. kwamen de mogelijkheden aan de orde voor kinderen tot 27 jaar. Nu de de oudere kinderen. Bij 27-jarigen kan het nog om studiekosten gaan, maar vaker is sprake van kinderen die ernstig ziek zijn of niet aan werk kunnen komen.

De aftrekpost voor kinderen ouder dan 26 jaar levert – anders dan bij de jongere kinderen – geen gefixeerde bedragen op. Men mag de werkelijke onderhoudskosten aftrekken mits ze binnen bepaalde marges vallen. Voor de ouderlijke bijdrage geldt een drempel van 800 gulden of – als dat minder is – twee procent van het zogenoemde onzuiver inkomen van de ouder. Als ouders gehuwd zijn en samenwonen, geldt bij het laatste criterium het onzuiver inkomen van beide ouders samen. Doorgaans bedraagt de drempel dan 800 gulden. Het maximum van de aftrek ligt bij 10 procent van dat inkomen of – bij gehuwden – het gezamenlijke onzuivere inkomen. De Belastingdienst is erg verdacht op misbruik van de regeling en wil schriftelijke bewijsstukken zien waaruit blijkt dat het geld echt aan het kind is besteed en die aantonen dat het kind niet zelf kan rondkomen.

Het kan zijn dat zieke of gehandicapte kinderen in een gezinsvervangend tehuis wonen of op een andere plaats buitenshuis worden verzorgd. Dikwijls halen ouders hen bijvoorbeeld in weekends op om ze een paar dagen thuis te laten zijn. Omdat bij deze aftrekpost alleen ondersteuning in geld meetelt, konden de ouders fiscaal geen kant uit met de kosten van het halen en brengen per auto. Die harde wetstoepassing is vanaf 1999 soepeler. Voor het halen en brengen uit het tehuis telt in 2000 een bedrag van 35 cent (in 1999 34 cent) per kilometer (heen en terug; dat zowel voor halen als brengen). Daarboven komt een bedrag van 16 gulden (in 2000 18 gulden) per dag thuis. De reisdagen tellen daarbij ook mee. Bij elkaar is dat nog geen vetpot. Het kabinet wil eigenlijk af van het financieren van bijzondere kosten via de belastingen en heeft een voorkeur voor specifieke regelingen.

Als een kind zichzelf financieel kan redden, zit er voor de ondersteunende ouder geen belastingaftrek in. Ook niet als de ouder vindt dat hij redelijkerwijs niet kan ontkomen aan een financiële ondersteuning. Dat kan het geval zijn als een kind zonder een cent aan inkomen woont in een hypotheekvrij eigen huis. De fiscus volgt dan de eis van de bijstandswetgeving dat de betrokkene dan eerst `het eigen huis moet opeten'. Dat wil zeggen eerst het huis moet verkopen of er in blijft wonen maar dan met een hypotheek erop. Net als bij de bijstand accepteert de fiscus een klein eigen vermogen.

De situatie wordt gecompliceerd als een financieel ondersteund kind gaat samenwonen zonder te trouwen. In die situatie is een samenlevingscontract populair. Daarbij gaan de partners vaak een zorgplicht tegenover elkaar aan. Volgens de fiscus hebben de ouders daarmee geen onderhoudsverplichtingen en dus ook geen aftrekpost meer. Ouderlijke bijdragen krijgen dan het karakter van een schenking, die veelal wegens de vrijstelling schenkingsrecht buiten de heffing blijft. Dat allemaal als de partner voldoende inkomen of vermogen heeft om de contractuele zorgplicht na te komen. Anders blijft de fiscaal gunstige positie van de ouders in stand. Een samenlevingscontract zonder zorgplicht is ook mogelijk. Ook dan houden de ouders de mogelijkheid fiscaal gefacilieerd bij te springen. De fiscus zit bij het beoordelen van zo'n aftrekpost op het vinkentouw. Vanuit een bepaalde gezichtshoek staat ze namelijk gelijk aan een overheidssubsidie van soms meer dan 50 procent van de overgemaakte onderhoudskosten. Vanuit een ander gezichtspunt is het goedkoper en – afhankelijk van de politieke opstelling – maatschappelijk wenselijker dat de ouders inspringen dan dat de sociale voorzieningen worden aangesproken.