HET ZIEN VAN DE HAND HELPT AANPASSING AAN EEN OMKEERBRIL

Mensen die een bril dragen die links en rechts verwisselt kunnen zich in hun nieuwe omgeving bewegen zodra hun hersenen het beeld van hun handen ten opzichte van de omgeving opnieuw hebben vastgelegd.

Vier studenten van de afdeling cognitieve psychologie van de Future University in Hakodate in Japan droegen een maand een links-rechts-omdraaiende bril. Op de eerste dag konden ze met moeite door een gebouw lopen. Als ze een bocht moesten maken of door een deur moesten lopen staken ze een arm voor zich uit en oriënteerden zich ten opzichte daarvan. Binnen twee weken konden ze, als ze hun voorkeurshand in beeld hadden, foutloos aan voorwerp aanwijzen dat een halve seconde lang ergens op een aanraakgevoelig beeldscherm verscheen. Veel moeilijker was het om de locatie van een kruis op het beeldscherm aan te wijzen zonder dat de handen in beeld waren. Na een maand fietsten de vier zonder valpartijen met de omkeerbrillen op (Nature, 21 sept).

Het experiment met de prismabril die links en rechts, of onder en boven verwisselt is een klassieker in de cognitieve psychologie. De eerste wetenschappelijke publicatie verscheen in 1897. Iedereen die een omkeerbril draagt adapteert relatief snel en kan na enkele dagen zonder grote ongelukken rondlopen. Deze adaptatie herstelt het verband tussen de zichtbare en de voelbare wereld. De hypothese was dat het zien van het eigen lichaam en dan vooral de handen in de omgeving cruciaal is voor de aanpassing. Dat is in het nieuwe experiment bevestigd.

Na ongeveer 25 dagen meldden de proefpersonen dat ze hun handen nu op twee manieren konden visualiseren: op de oude manier en omgekeerd. Wel liepen daarna in de experimenten de reactietijden op bij een opdracht een voorwerp middenvoor aan te wijzen. Op die plaats vertonen beide visualisaties een (spiegelbeeldige) overlap en dat gaf kennelijk conflicten.

Nieuw ten opzichte van de experimenten die ruim honderd jaar geleden plaatsvonden was de mogelijkheid om de plaats van het oude en het nieuwgevormde handbeeld in de hersenen op te sporen. Daarvoor is tegenwoordig functionele magnetic resonance imaging (fMRI) beschikbaar. fMRI registreert van buiten af de stofwisselingsactiviteit van de hersenen. De handrepresentatie blijkt niet op één plaats in de hersenen gelocaliseerd. De presentatie is vastgelegd in een verzameling over de hersenen verspreide actieve gebieden. Sommige gebieden waren in de oude en de nieuwe handrepresentatie actief, andere alleen in de nieuwe representatie. Die nieuwe gebieden verwerken waarschijnlijk de visuele input naar omgekeerde motoriek. De proefpersonen meldden dat ze de vorm van hun handen en de plaats van hun hand in hun gezichtsbeeld veel gebruikten bij de koppeling tussen visuele informatie en bewegingen.