Gedoogbeleid 3

Gijs van Oenen heeft wél een erg theoretische en idealistische opvatting van gedogen (NRC Handelsblad, 20 sept.). Als hij beweert dat door het gedoogbeleid de betroffen bevolkingsgroepen `aangesproken worden op hun vermogen om een zekere mate van rechtsorde in stand te houden' dan ignoreert hij gewoon de realiteit. Volgens mij past de overheid het gedoogbeleid juist toe op groepen die de rechtsorde met voeten treden, en deze zullen blij zijn dat hun minachting van de gemeenschap door een erkende wetenschapper gerechtvaardigd wordt.

Van Oenen verwerpt het verwijt van de politieke jongerenorganisaties dat gedoogbeleid uit `slapheid, lafheid en laksheid' voortkomt. Maar als je kijkt hoe selectief deze overheid het gedogen toepast kan je je niet aan de gedachte onttrekken, dat opportunisme en rendabiliteit de voornaamste drijfveer zijn. Zwartrijders in de metro worden niet aangepakt hoewel zij de gemeenschap met een steeds stijgend exploitatietekort opzadelen. Hardrijders op de snelweg, die niemand schade toebrengen, worden genadeloos met hoge en door niets gerechtvaardigde geldboetes gestraft, om zogenaamd de rechtsorde te handhaven. Zo zijn er meer voorbeelden van laksheid en gemakzucht, die door grote bevolkingsgroepen niet langer gepikt worden. Bijvoorbeeld de bewoners van drugswijken die van het gedoogbeleid schoon genoeg hebben.

Bij de door Van Oenen aangehaalde `zedelijkheidskwesties' gaat het om iets heel anders: De wetgeving holt achter de gewijzigde publieke opvattingen aan, en dit heeft niets met gedogen te maken!