G'day mate

Je hoeft in de buurt van een olympische accommodatie maar even bedenkelijk te kijken en er staat iemand voor je neus. Do you know where to go? Can I help you? Er zijn in Sydney 47.000 vrijwilligers op de been. Jong, oud, heel oud, dik, dun, blank en gekleurd, ze zijn er in alle maten. Deze `blauwhemden' hebben de opdracht gekregen de olympische gasten met de grootst mogelijke vriendelijkheid te bejegenen. Bij het treinstation van het Olympic Park staan zelfs vrijwilligers die alleen de taak hebben de arriverende mensen te begroeten. Als je ze dan iets wilt vragen, verwijzen ze je door naar een collega. Sommige vrijwilligers – ze krijgen alleen gratis eten en onderdak in een school- of universiteitsgebouw – hebben echt een hondenbaan. Zo bevindt zich in de buurt van de volleybalhal een oprit en daar zit ook een jongen in zo'n blauw shirt. Hij is moederziel alleen en moet auto's tegenhouden, maar die komen er nauwelijks, omdat ze al veel eerder niet door de afzettingen kunnen komen. Ik hoorde een man – gezien zijn strakke pak en accreditatie op zijn buik waarschijnlijk een vertegenwoordiger van een sponsor of zo – zeggen dat hij dat het rotste baantje van de hele Spelen vond. Ik was het wel met hem eens. Maar Jordan, zo heet het opperhoofd van de oprit, klaagt niet. Want – zo vertelde hij me – hij was part of the Olympics. Hoeveel auto's hij precies moest tegenhouden wist hij niet. Soms wel tien per dag, dacht hij. Eén keer had hij zijn werk minder leuk gevonden. Toen waren ze hem vergeten af te lossen en had hij acht uur achter elkaar op zijn stoel gezeten. Maar klagen, nee, dat had hij niet gedaan. Je moet er wat voor over hebben om tot de olympische familie te behoren.