Een tijdbom onder de stoel van Chirac

In postume onthullingen van ex-medewerker Jean-Claude Méry komt de Franse president Chirac naar voren als brein achter een grote smeergeldaffaire uit de jaren tachtig. De vlam kan dit keer in de pan slaan.

Niet met de mogelijke betrokkenheid van president Chirac bij een omvangrijke corruptie-affaire openden gisteravond de Franse televisiezenders hun journaals, maar met de gouden medaille, die judoka David Douillet in Sydney won. Op de dag dat dagblad Le Monde het tweede deel publiceerde van de postume onthullingen van Jean-Claude Méry, waarin Chirac naar voren komt als het brein achter een grote smeergeldaffaire uit de jaren tachtig, wist de televisie niet meer te melden dan dat onderzoeksrechter Eric Halphen de video-band waarop Méry zijn beschuldigingen uit, in beslag heeft genomen.

Ook vóór de jongste onthullingen wist, begreep, vermoedde, raadde of rook men wel dat Chirac tijdens zijn achttien jaar als burgemeester van Parijs op de hoogte moet zijn geweest dan wel een vermoeden moet hebben gehad van de smeergelden die bouwbedrijven betaalden om gemeentelijke opdrachten in de wacht te slepen. Men wist wel zo'n beetje dat onder leiding van Chirac de partijkas van zijn neo-gaullistische RPR illegaal gespekt was en dat zijn campagne voor de presidentsverkiezingen in 1995 niet geheel en al uit eigen zak gefinancierd was. Niet voor niets wordt openlijk en bijna dagelijks gespeculeerd op de belastende onthullingen die het ongeleide projectiel Jean Tibéri, jarenlang vertrouweling van Chirac en nu zelf burgemeester van Parijs, zou kunnen doen.

Men weet het, en onderzoeksrechter Halphen, die zich al jaren met de kwestie bezighoudt, weet het waarschijnlijk nog het best, maar het bewijs is nooit geleverd. Daarom denkt men wellicht dat de rechter zich weer jarenlang verdiepen gaat in de materie en het bewijs er wederom niet komen zal.

Maar de vlam kan deze keer net zo goed wèl in de pan slaan. De wet laat de rechter de ruimte zelf uit te maken wat als een bewijs aanvaardbaar is. Gezien de concrete en gedetailleerde beschuldigingen van Méry en gezien Halphens vergeefse pogingen hem in 1994 zijn even grote als evidente betrokkenheid bij de smeergeldzaak te laten bekennen, is het niet uitgesloten dat de videoband met de bekentenissen van Méry die ook zichzelf niet spaart, als bewijs gaat dienen. En hoewel de Constitutionele Raad vorig jaar bepaalde dat de Franse president juridisch immuun is en, behoudens hoogverraad, niet vervolgd of afgezet kan worden, kan een voortgezet rechterlijk onderzoek een levensbedreigende tijdbom worden. Jacques Chirac wil immers over twee jaar herkozen worden.

De president en zijn entourage zijn zich zeer bewust van die tijdbom. Dat bleek wel uit hun prompte, uitvoerige en felle reacties. Unaniem vonden zij de onthullingen ,,misselijkmakend'', maar ze weten vooralsnog niet goed tegen wie zij in de aanval moeten gaan. De president zelf trok ten strijde tegen een niet nader geduide ,,men'' waarmee hij heel wel de brenger van het nieuws, Le Monde, op het oog gehad kan hebben. Maar de voorzitster van zijn partij, RPR, richtte haar pijlen op de linkse regeringspartijen die wegens de tanende populariteit van premier Lionel Jospin behoefte zouden hebben aan een schandaal bij rechts. Ook zijn er die burgemeester Jean Tibéri van dubbelspel verdenken, omdat het nog maar een kwestie van dagen is voordat deze uit de RPR wordt gegooid.

Zo bezien gaat de ,,koude burgeroorlog tussen links en rechts'' uit de jaren tachtig, waaraan Le Monde in zijn berichtgeving over Méry's onthullingen herinnert, nieuw leven ingeblazen worden. Aan het rechtse dagblad Le Figaro, dat de president in bescherming neemt zonder precies te melden waartegen, zal het niet liggen. Maar Le Monde zelf geeft intussen op een vreemde blijk van angst voor een dergelijke polarisatie of voor de lange arm van de machthebber. Voor de tweede keer ging het dagblad gisteren in een hoofdredactioneel artikel uitvoerig in op de beweegredenen voor het publiceren van Méry's postume memoires. Het moet toch nieuws brengen, het is heus niet partijdig, het zou over Jospin net zo berichten als het aan de orde was.

Dat ook Franse journalisten nieuws brengen, ook als dat onwelgevallig is, lijkt door die volmaakt overbodige toelichting ineens een stuk minder vanzelfsprekend. Het feit, dat de bezitter van de Méry-tape, de televisie-producent Arnaud Hamelin, vergeefs geprobeerd heeft de Franse televisiezenders voor zijn materiaal te interesseren alvorens naar Le Monde te stappen, is misschien een nog veger teken dan het al leek.