Duister uitzicht

Er zijn hotels met alle faciliteiten. Maar geen bezoekers. Er zijn snelwegen van tien banen breed. Maar geen auto's. Nu zoekt Noord-Korea toenadering tot het zuiden. Er komt een spoorwegverbinding en volgende week ontmoeten de ministers van defensie elkaar. Uit noodzaak. Het land is zijn bondgenoten kwijt.

Ze komen uit de verte aanschuifelen. Onhoorbaar. Ze bewegen zich voort door het midden van de eindeloze gang, bang om de muren aan te raken. Zijn het er honderd, tweehonderd? Ze zien er ongezond uit: ondervoed, verweerd, doffe haren. Sommigen hebben zwerende open wonden. Zonder geluid schuifelen ze voort. Dit wordt geacht het mooiste moment in hun leven te zijn. Het is de eerste en enige keer dat zij, gewone Koreanen, het Vriendschapshuis mogen betreden. Eén van de paleizen van Kim Il Sung.

Vorige week stonden de twee landen samen achter één vlag: Noord- en Zuid-Korea. Een historisch moment. Bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Sydney is er een derde stap gezet naar de uiteindelijke hereniging van twee bevolkingsgroepen, die tot 1945 al vijfduizend jaar één volk waren. Vorige maand was de wereld getuige van de dramatische ontmoeting tussen gescheiden familieleden die elkaar vijftig jaar niet hadden gezien. En in juni was er de top tussen de regeringsleiders van Noord en Zuid: Kim Jong Il en Kim Dae Jung.

De hereniging van de twee landen lijkt aanstaande, maar wie door Noord-Korea reist, gaat twijfelen over de haalbaarheid. Een bevolking die totaal onder controle is van de overheid, en dat ook lijkt te accepteren. Een hoofdstad vol grote gebouwen, die bijna allemaal leegstaan. Kinderen, die met tienduizenden tegelijk oefeningen doen op de pleinen van de stad. En waar je ook kijkt beelden en foto's van De Meest Geliefde Leider, Kim Il Sung, en de Grote leider, zijn zoon Kim Jong Il.

Terwijl de auto voortraast, probeer ik het aantal banen te schatten dat de weg breed is. Minstens tien. Maar er staan geen strepen op en er is geen middenberm. En vooral: er zijn geen auto's – er is alleen één brede strook asfalt, zinderend van de hitte.

We zijn zojuist geland op het internationale vliegveld van Noord-Korea. Vandaag arriveerde er, zo te zien, welgeteld één vliegtuig. We werden afgehaald door drie begeleiders, die ons nu in noodtempo naar de hoofdstad Pyongyang rijden. ,,Avenue van de bevrijding', zegt één van hen trots terwijl hij op de weg wijst. ,,En ziet u die flats? Dit hele gebied is aangelegd in 1989. Vijftigduizend woningen.'

,,Weinig auto's', mompelt een van ons. ,,Hm-hm', bromt de begeleider, en ook de anderen knikken instemmend. Ze zijn duidelijk trots op deze brede avenue. Dat er geen auto's zijn om hem te gebruiken, deert hen blijkbaar niet. Evenmin als het hotel – twee torens van 45 verdiepingen – dat bijna helemaal leegstaat. Bij de bovenste vijftien etages gaat de lift zelfs niet open, blijkt later. Niettemin geven de begeleiders een lange opsomming ten beste over dit moderne hotel: ,,Zwembad, fitness, business-centre'. Op dezelfde toon gaat het verder: ,,Ga nooit alleen het hotel uit. Daar kunnen problemen van komen. Echt. Nu is er tijd om u te verfrissen op de kamer.'

Taaie vis

We zullen een week verblijven in dit gesloten land, waar je als buitenstaander moeilijk binnenkomt. Hoe dan ook – in Peking mochten we een visum ophalen en daarna ging het in een met de hand geverfd Russisch vliegtuig naar Pyongyang.

Als we zijn aangekomen bij onze kamers, op de 25e verdieping, blijft gids nummer 1 wat talmen bij de deur. ,,De Westerse media schrijven vaak slechte dingen over ons land', zegt hij. ,,Ik hoop dat u alleen maar gelooft wat u ziet. Oordeel zelf.'

Wat je ziet, geloof je niet. Tientallen flats, als je uit het raam kijkt, allemaal half afgebouwd. Een zee van grijstinten met zwarte gaten. Maar hier en daar beweegt iets. Er wonen mensen.

's Avonds is het tijd voor gezelligheid. Een ander toeristenhotel, zo mogelijk nog hoger dan het onze, heeft een roterend restaurant. Gids 2 blijft het herhalen: ,,Roterend restaurant. Je kunt er de hele stad zien.' Het restaurant is leeg, op twee serveersters na. Er komt bier en wijn op tafel, en taaie gedroogde vis. Eén van de serveersters heeft een gitaar gepakt en begint een opgewekt lied. Het restaurant draait heel langzaam rond. Maar het uitzicht biedt alleen duisternis. Er is nauwelijks verlichting in de stad – twee miljoen mensen zitten het grootste deel van de avond zonder stroom.

De Noord-Koreaanse economie is volledig ingestort. Alleen de hoofdstad functioneert nog min of meer. Hier wordt de schijn opgehouden dat Noord-Korea een modern land is, met grote toeristenhotels die internationale bezoekers uit alle werelddelen verwelkomen. Alleen de bezoekers ontbreken.

Eigen initiatief wordt niet gewaardeerd, contact met burgers systematisch gemeden. In de lobby staan permanent een stuk of tien heren in pak. Als ze 's avonds de indruk krijgen dat de buitenlandse gasten ondanks het verbod het hotel uit willen, is gids nummer 1 binnen een minuut aanwezig om te vragen wat de bedoeling is. Blijkbaar heeft ook hij een kamer in dit lege hotel.

Omgekeerd is het de bevolking verboden met buitenlanders te praten. Kritische opmerkingen over het regime worden zwaar bestraft. Maar het is de vraag of deze burgers twijfelen. De centrale bibliotheek telt alleen een groot aantal werken van Kim Il Sung en Kim Jong Il. Voor de bevolking is geen enkele vergelijking met andere landen mogelijk. De buitenwereld bestaat niet.

De weinige auto's in de stad rijden veelal met luidsprekers op het dak waaruit liederen schallen om de Meest Geliefde Leider en zijn zoon te vereren. De massa ondergaat het zwijgend. Hier voel je niets van de broeierige sfeer die in de straten van Oost-Berlijn hing vlak voor de val van De Muur, elf jaar geleden.

Het Noord-Koreaanse regime is gebouwd op repressie en allesoverheersende propaganda. Maar belangrijker nog: het confucianisme. In de confucianistische traditie fungeert de leider als een vader. Kim Il Sung heeft die traditie gebruikt om vanaf 1945 zijn positie steeds verder te versterken. Hij ontwikkelde zijn eigen ideologie, de Juche, met als uitgangspunt: alles op eigen kracht – Korea moet `de Grotere' (China) uiteindelijk voorbijstreven. Kim Il Sung wordt als een god aanbeden in Noord-Korea. Nog steeds wordt zijn naam alleen met het diepste respect uitgesproken, vaak fluisterend. Hij is niet dood, geloven veel Noord-Koreanen.

Overal lopen kinderen op straat met Juche-fakkels in de hand. Op de pleinen staan ze bij elkaar. In oktober bestaat de Arbeiderspartij 55 jaar, vertelt gids 1. Dan zullen de kinderen van Korea bewegende menselijke mozaïeken vormen. Ze oefenen zes uur per dag. ,,Hier bijvoorbeeld, op het Kim Il Sung-plein, zullen vijftigduizend kinderen optreden.' Trots: ,,Mijn dochter staat hier ook ergens op het plein.'

's Avonds, in volslagen duisternis, zijn de bevelen aan de oefenende kinderen nog steeds overal hoorbaar. Eén plaats is nog verlicht: de Juche-toren, het honderdvijftig meter hoge symbool van de onoverwinnelijke kracht van Kim Il Sung. Voor de grote schijnwerpers rond de toren marcheren groepen kinderen, met helwitte overhemden, als muggen naar het licht.

Verzet tegen de allesoverheersende persoonsverheerlijking is er nauwelijks. Zeker niet openbaar. In 1986 rommelde het: kritiek op Kim Il Sung vanuit de top van de Arbeiderspartij. Toen begonnen er ministers te verongelukken, de een na de ander. Auto-ongeluk. Allemaal. In een land waar nauwelijks auto's rijden. Brandstof is er zo schaars dat je vijftig kilometer kunt rijden zonder gemotoriseerd vervoer tegen te komen.

Een enkele keer vallen de gidsen uit hun rol. Zo blijkt uit een opmerking dat de inhoud van de prullenbakken op onze kamers doorzocht wordt. Een Australiër kwam dat eerder duur te staan. Hij werd gearresteerd omdat hij een sigaret op een krant had uitgedrukt, en – waarschijnlijk zonder het zelf te weten – een gat gebrand in een foto van Kim Il Sung.

Een tocht naar het platteland is een onderdompeling in de meest bittere misère van dit land. Op het platteland zie je mensen handkarren door de eindeloze modder trekken. Kranen bij gebouwen staan allemaal stil, zijn vaak omgevallen. Spoorrails worden gebruikt als wandelpad – er komt toch geen trein. Ergens wordt aan een dijk gewerkt. De auto moet afremmen omdat er arbeiders op de weg lopen. Het zijn kinderen. Als muilezels dragen ze kilo's klei op gevlochten rugdragers – ,,No pictures'. Op de lege snelweg naar het Vriendschapshuis in het noorden willen de gidsen nergens stoppen – ,,Not interesting'. Vragen over de voedselsituatie worden niet beantwoord. Er valt een stilte in de auto. Feit is dat er sinds de mislukte oogsten en overstromingen de afgelopen vijf jaar honderdduizenden burgers zijn omgekomen. Er zijn meldingen van kannibalisme. Intussen worden de schaarse buitenlandse deviezen gebruikt om nog meer monumenten en paleizen te bouwen.

Handleiding voor terrorisme

Het Vriendschapshuis ligt in de bergen van Myohyang. Een grotesk gebouw, opgetrokken in traditioneel Koreaanse stijl. Hier liggen in meer dan honderd zalen tienduizenden geschenken tentoongesteld die Kim Il Sung van over de hele wereld ontving. ,,Als je bij ieder geschenk een minuut stil zou staan, ben je een jaar en twee maanden onderweg', zegt onze lokale gids trots. Er staan auto's, opgezette beren, bureaus met stoelen, er liggen zwaarden, pistolen en geweren. Daniel Ortega schonk een opgezette krokodil die een dienblad met glazen vasthoudt. 's Werelds beroemdste terrorist Carlos verraste Kim met een `Handleiding voor terrorisme'. Er liggen geschenken van de Amerikaanse tv-dominee Billy Graham, maar ook van Paus Johannes Paulus II.

Ook Nederland is vertegenwoordigd: de Herstichte Nederlandse Communisten hebben in 1990 een Delfts Blauw bord geschonken, en er staat een zilveren achtspan paarden met koets van ongeveer een meter lang – `een typisch folkloristische Nederlandse traditie, het doorgeven van het vuur van Juche'. De koetsier heeft een rood fakkeltje in de hand. Ergens staan tien treinwagons, geschonken door Stalin. Daarachter een even groot aantal van Mao.

In de gang komt de groep Koreanen onhoorbaar naderbij geschuifeld. Doordat het tapijt zo dik is, en door de slofjes die ze over hun schoenen moeten dragen. Verweerde knoestige koppen, sjofele kleren. Geen sieraden, alleen het verplichte speldje met Kim Il Sung op de borst. De meesten zijn doorweekt, wie zal zeggen hoe lang ze buiten in de regen hebben gestaan voordat hun identiteitskaart was gecontroleerd. Voor ons is het de enige keer dat we zo dicht bij gewone Noord-Koreanen komen dat we ze kunnen aanraken. Maar dat is wel het laatste dat ze willen. Ze schieten naar de zijkant, bang om in onze buurt te komen. In een halve minuut schuift de groep ons voorbij. ,,Doorlopen, niet blijven staan', zeggen onze begeleiders.

Nu mogen ze zich vergapen aan de wereld van rijkdom en weelde waarin de Meest Geliefde Leider zich voortbewoog. Zullen zij het nog meemaken dat de dooi intreedt in dit land? Waarschijnlijk zal Kim Jong Il dit najaar Zuid-Korea bezoeken. In beide landen zijn de omstandigheden voor ontspanning gunstiger dan ooit.

Zuid-Korea omdat het wil. De Zuid Koreaanse president Kim Dae Jung heeft direct na zijn verkiezing in 1997 de Sunshine-policy gelanceerd: toenadering in plaats van confrontatie. Noord-Korea omdat het moet. Het land staat volledig alleen. De oude partners zijn weggevallen: Rusland omdat het zelf diep in de economische problemen zit en China omdat het in een recordtempo relaties aangaat met westerse landen.

De laatste zaal is de belangrijkste van het hele paleis. Roze licht, zachte muziek, instructies bij de deur: alleen fluisteren, en buigen als je vooraan in de zaal bent gearriveerd. Hier liggen de meest kostbare geschenken, onder andere van Jimmy Carter. Maar die geschenken zie je niet. Je blik wordt direct naar voren getrokken. Daar is een parkachtig landschap levensecht nagemaakt. Er staan zilverberken, de groene takken wuiven een beetje in de wind. Er is een meer, met zachtjes kabbelend water. Je ziet nauwelijks dat het een schildering is met lampjes. Naar het meer loopt een pad. Op het pad staat hij, de schoenen glimmend gepoetst, een scherpe vouw in de broek. De panden van zijn smetteloze colbert wiegen heen en weer in het briesje. De Meest Geliefde Leider Kim Il Sung. Hij kijkt je aan – glimlachend maar toch streng. Het is het beste wassen beeld dat je je kunt voorstellen. De ogen, de mond, de rimpels, de grijzende slapen. ,,Buigen!', sist de begeleider.

Even later staan we weer op de eindeloze gang. De groep Noord-Koreanen is nergens meer te zien. ,,Weet je', zegt één van de begeleiders, ,,wij Koreanen geloven dat hij nooit is overleden. En de arbeidersmensen die je net hier naar buiten zag komen, als ze in deze zaal zijn geweest, denken ze dat ze hem echt levend hebben zien staan. Dat hij niet dood is. En zo is het ook. De Meest Geliefde Leider leeft.'