De toestand in de sport

Hoe zou het komen dat Nederland geen dagblad voor de sport heeft? In de dagen van Fausto, Wim en Woutje, Jacques, Louison en Eddy (zie elders in deze krant voor de achternamen) vond ik het een tekortkoming. De Volkskrant had een paar verslaggevers die zinnen schreven als `Zijn granieten dijen kenden geen vermoeidheid', `Hij trok het slagzwaard van zijn klimmersdémarrage', of `De reusachtige blaasbalgen in zijn ribbenkast maakten hem tot een fabriek van snelheid', om maar een paar bloempjes te noemen. Als de sport belangrijke dagen meemaakte, hadden de Fransen l'Équipe en de Italianen de Gazetta dello sport. Als je daar was, zag je 's avonds de mannen, Gauloise of Nazionale rokend, bespreken wat ze in de sportkrant hadden gelezen. De toestand in de sport. Het had iets vredigs en iets eeuwigs. De Nederlandse liefhebbers van sport, vrede, tijdloosheid en krachtig proza, hadden alleen op maandagochtend de Volkskrant.

Toen is er iets gebeurd. Met de sport? Met de wereld? Met mij? Belangrijke gebeurtenissen weet ik nog wel. München 1974, daar zullen een paar generaties nooit mee leren leven. Argentinië 1978, het schot waarmee Arie Haan van meer dan veertig meter de Duitsers eruit knalde. Om hem te eren heb ik een stukje geschreven: Dat was geen doelpunt, het was een executie. En daarna is het begonnen. Zag ik een foto in de krant van een moment uit een voetbalwedstrijd, een wielerkoers, tennissen, zwemmen, dan dacht ik: dat heb ik al gezien, vorige week, vorig jaar.

In alle wedstrijden in alle sporten doen zich situaties voor die door alle sportfotografen worden vastgelegd. Dat zijn – zo noem ik ze nu – de wezenlijke situaties. Ik schat dat het er niet meer dan een stuk of twintig per sport zijn. Als je nu begint een verzameling foto's van deze gebeurtenissen aan te leggen, de wezensfoto's, dan moet het mogelijk zijn daarmee alle wedstrijden te illustreren, tot het einde der sporten. De spelers veranderen, de situaties niet. Met de modernste elektronische middelen kun je via een simpel programmaatje de gezichten en de clubkleuren erin creëren, en niemand die er iets van merkt. Je hebt de virtuele toekomst van alle wedstrijden ter wereld in handen.

Ongeveer hetzelfde geldt voor het gesproken sportverslag. Ik schrijf dit stukje in een land, bewoond door een beschaafd volk waarvan ik de taal niet machtig ben. De Olympische Spelen zijn aan de gang. Van alle windrichtingen klinken uit de luidsprekers de verslaggevers. Onthecht van de betekenis der woorden laten de verslagen zich beluisteren als een dramatisch half-gezang, a capella ten gehore gebracht.

Ik luisterde. Ik herinnerde me Han Hollander, de vader van alle radioverslaggevers als het om voetbal ging. Holland-België is zijn legendarische glansnummer. Afgezien van de geluidskwaliteit: als je een Spanjaard, een Hongaar, een Serviër naar Han Hollander zou laten luisteren, zou hij meteen weten dat er een spannende wedstrijd gaande was, en na een paar minuten ook wie er aan de winnende hand was.

De televisie heeft natuurlijk verandering in het gesproken verslag gebracht, maar het geheel van de auditieve voorstelling de stem van de verslaggever, de geluiden van het publiek, de hoorbaarheid van de spanning heeft zijn drama gehouden. Hemelse euforie, ontluikende hoop, vervagende hoop, nog één opflakkering, de val in de put van de moedeloosheid, doffe gelatenheid, redding uit het niets, katharsis, het is allemaal in de melodie van iedere taal aanwezig. Zoals het in de literatuur wordt uitgedrukt: de woorden hebben zich losgezongen van hun betekenis.

Daarom, als ik componist was, zou ik eens proberen het universele sportdrama te abstraheren in een muziekstuk voor een symphonieorkest met koor. Of is dat al eens gedaan? De valse trompetten van de eerste zelfoverschatting, de strijkers van de sombere twijfel, de harp van de bescheiden hoop, de tenorsaxofoon die in een stortvloed van dissonanten de nekslag probeert te verwerken, het sportverdriet uit een violoncel, het hees kabaal van de bekkens dat aan de beslissing voorafgaat, de paukenslag als het zover is, de hallelujahs bij de voorlopige ten hemel opneming, geleidelijk overstemd door de kakofonie van alles, ter genadeloze viering van de triomf. Houdt Peter Schat van sport? Ik hoop het. Zet het om in noten!

Om terug te komen op het begin van dit stukje: ik begon te vermoeden dat alle sport meer van hetzelfde is, de lichamelijke versie van de wijsgerige eeuwige wederkeer. Eerlijk gezegd: het kabaal ging me te vervelen. Hoorde dat wel zo, liep ik niet uit de pas met de postmoderne tijd? Misschien ter zelfverdediging begon ik een theorie te verzinnen, het geschut te keren. Sport in de omvang zoals die nu wordt genoten, ik weet niet hoe ik het moet zeggen zonder iemand te beledigen. Maar het is niet in orde.

De Olympische Spelen zijn in volle gang. Overheersen op het Rembrandtplein weer de nieuwe nationale kleuren, oranje en Heineken-groen? Ik geloof dat ik er immuun voor ben geworden, ongeveer het is een verre vergelijking als een imker voor bijensteken. Misschien moeten we het in medische termen gaan beschrijven: je bent sportvatbaar of sportimmuun.

(De achternamen: Coppi, Van Est, Wagtmans, Anquetil, Bobet en Merckx).