De olieboom blijft in Bakoe een belofte

Al tien jaar wordt de energierijkdom van de Kaspische Zee in superlatieven beschreven. Oliemultinationals haastten zich naar Bakoe. Maar de oliewelvaart bleef totnutoe uit. De wilde toestroom van oliemanagers is voorbij. Het grote wachten is op een pijpleiding naar Turkije. ,,We zwemmen in de olie , maar we merken er niets van.''

De zeewind, die een melange van stuifzout en petroleum met zich meevoert, doet de KLM-stewardess van bordkarton wild heen en weer zwiepen. `Welkom in AzerBajzjan', staat er op de kantoorgevel waar voor zij de wacht houdt. Jammer alleen dat Royal Dutch Airlines de bestemming Baku dit voorjaar heeft geschrapt, met als gevolg dat de boedel van KLM-vlaggetjes en Keukenhof-posters nu aan Fuad Ambekov is toevertrouwd.

,,Het spijt ons dat KLM vertrokken is'', zegt de Azerische portier, opkijkend van een spel trik-trak met de tapijtenhandelaar van iets verderop. ,,'t Is nog wel zo'n beroemde luchtvaartmaatschappij.''

Fuad heeft wel een idee waarom de KLM-lijndienst op deze olieboomtown waar het gouden-bergenperspectief al jaren een bonte stoet van avonturiers aantrekt kennelijk toch niet rendabel is. Onder het inschenken van de glaasjes thee zegt hij: ,,De landingsrechten en alles wat daarbij komt kijken... het is gewoon niet op te brengen.''

,,Alles wat daar bij komt kijken?''

,,Aha, U weet kennelijk nog niet hoe door en door corrupt dit land is.'' Met gevoel voor nationale zelfspot vertelt Fuad over de onlangs gepubliceerde toptien van smeergeldlanden, waarop Azerbajzjan op de derde plaats staat, na Nigeria en Indonesië. ,,Weet u waarom we niet bovenaan zijn geëindigd? ...Onze regering heeft de samenstellers omgekocht.''

In dit land waar zelfs de president toegeeft dat ,,corruptie een algemeen verspreide ziekte'' is, laten tientallen potentiële investeerders zich afschrikken. Om bij de luchtvaart te blijven: Lufthansa en British Airways hebben hooglopende ruzie met de autoriteiten, terwijl Air Emirates net als KLM de vluchten op Baku heeft opgeheven.

Eerder op de dag in het Hyatt-hotel had een Britse piloot gezegd dat ook de passagiersaantallen schromelijk achterblijven bij de verwachtingen. De luchthaven van Baku mag dan een facelift hebben gekregen, ten bedrage van 64 miljoen dollar, de wilde toestroom van oliemanagers en in hun kielzog de dienstverleners is voorbij.

Dat neemt niet weg dat de argeloze bezoeker zich in de aankomsthal nog makkelijk kan laten imponeren door de overdaad aan rooddooraderd marmer. En ook de rit naar het opgeknapte stadscentrum, langs walmende gasfakkels en onafzienbare rijen boortorens, wekt de indruk dat de oliegekte nog lang niet is uitgewoed.

Het oude Baku, gelegen aan een zwaar vervuilde baai, ademt een onmiskenbaar Midden-Aziatische sfeer – met minaretten, badhuizen en biljarttafels onder de platanen. Het straatbeeld wordt alleen ontsierd door de nalatenschap van de Sovjets. In kringen rond de ommuurde stadskern, als de jaarringen van een boom, liggen de Westerse wijken. De oudste – in semi-koloniale stijl – dateert van de eerste olierush rond 1900 (toen de Rothschilds en de gebroeders Nobel hier hun fortuin maakten); de jongste – een krans van spiegelkantoren, luxe hotels en een bankgebouw in de vorm van een rechtop staande baar goud is van recente, post-communistische datum.

Nu al tien jaar wordt de energierijkdom van de Kaspische zee in superlatieven beschreven. Azerbajzjan zou alles in zich hebben om ,,een tweede Koeweit'' te worden; een consortium onder leiding van Exxon/Mobil zou in 1994 in Baku ,,het contract van de eeuw'' in de wacht hebben gesleept, etc, etc. De belofte was dat de oliewelvaart vanaf het jaar 2000 voor alle zeven miljoen Azeri's tastbaar zou moeten zijn.

Vooral nu de olieprijzen hoog zijn zou je geneigd zijn te denken stroomt het geld met bakken tegelijk binnen. Een eerder deze maand uitgezonden Channel Four-documentaire taxeert de waarde van de geschatte Azerbeidzjaanse olie- en gasreserves momenteel op 80 miljard dollar. Reden te over voor opwinding en hectiek?

De tekst waarmee het Hyatt-hotel in BaKu klanten werft ('Waar het bruisende Westen het mythische Oosten ontmoet') blijkt een loze kreet: het kolossale hotel staat nagenoeg leeg. ,,Nog in 1998 hadden we een bezettingsgraad van negentig procent'', zegt de technisch manager, een Australiër die op een groot scherm in de hotelbar de Spelen in Sydney volgt. ,,Halverwege de jaren negentig was dit hotel een van de meest lucratieve van de hele Hyatt-keten. We zijn toen in ijltempo gaan uitbreiden: nog twee vleugels en een zwembad erbij.''

Het afgelopen jaar zijn de meeste gasten weer geruisloos vertrokken. Zeker, de expat-gemeenschap mag er wezen (er wonen zo'n vijf- tot zevenduizend buitenlanders in Baku), maar het komen en gaan van ingenieurs en onderhandelaars is plotseling geluwd. Dave, de Amerikaanse eigenaar van de populaire Fisherman's Wharf, vindt dat niet verontrustend: ,,Alle grote oliemaatschappijen zijn hier halsoverkop neergestreken. De race om de goede uitgangsposities, de formatie van consortia en het intekenen op de offshore concessiegebieden, dat is goeddeels achter de rug.''

Er is olie aangeboord, er is gas gevonden, maar de grootschalige productie zal pas op gang komen als er voldoende transportcapaciteit is: als er een pijplijn naar de Middellandse Zee of de Zwarte Zee wordt gebouwd. Dave: ,,Het grote wachten is nu begonnen.''

Maar: het is bepaald niet zeker of – en zo ja wanneer – de met veel fanfare aangekondigde olieleiding naar de Turkse haven Ceyhan, aan de Middellandse Zee, er komt. Op het politieke front is er na intensief Amerikaans lobbywerk overeenstemming bereikt over de aanleg van deze ,,Euraziatische energiecorridor''. Maar voor de financiering van de Baku-Ceyhan-pijpleiding hebben zich nog vrijwel geen vrijwilligers gemeld. Komt die exportroute er in 2004, 2005, 2006? Niemand die zich aan een voorspelling waagt.

Er is ook geen enkele aanwijzing dat de hoge olieprijs – of de poging van de Opec-landen om de productie op te schroeven – de exploitatie van de Kaspische energiebronnen ook maar met één dag versnelt. ,,Je kunt de kraan niet openzetten zolang je geen kraan hebt'', constateert een Brit van BP/Amoco nuchter.

Wat zich intussen in Baku afspeelt is een botsing tussen de jarenlang gewekte verwachtingen en de harde realiteit: het vooruitzicht dat de Azeri's nog tot in lengte van dagen armoedige groenteventers zullen zijn. In Baku heerst geen juichstemming, maar oplopende frustratie. Zelfs de samenklittende hoeren in het parkje tegenover de Fisherman's Wharf zijn wanhopig: volgens een Nederlandse Baku-kenner waarschuwen ze elkaar per mobiele telefoon zodra er ergens een buitenlander een bar binnengaat. ,,Dan springen ze in een taxi en vliegen erop af.''

Het handjevol nieuwe rijken is niettemin opzichtig aanwezig, evenals de autosalons, de tennisclubs en restaurants met vers uit Dubai ingevlogen vlees en vis waar zij hun geld kunnen uitgeven. Maar de straatarme meerderheid heeft nog geen druppel welvaart zien doorsijpelen, en dat irriteert. ,,We zwemmen in de olie, maar we merken er niets van'', zegt Zamir Rasoelov, een meloenverkoper in een stoffige buitenwijk. ,,Er is ons telkens gezegd dat we geduld moeten hebben. Vijf jaar geleden heette het dat we over vijf jaar rijk zouden zijn, en nu krijgen we precies hetzelfde te horen: over vijf jaar is het zover.''

Wat de druiven extra zuur maakt zijn de hoge benzineprijzen. Een liter super kost in Azerbajzjan 1700 manat (een gulden twintig), iets waar de meeste Azeri's met hun verstand niet bij kunnen. ,,In de Sovjet-tijd was benzine bij ons zo goed als gratis'', zegt de handelaar in watermeloenen. ,,Het komt erop neer dat we de rekening van de hoge olieprijs gepresenteerd krijgen, in plaats van eraan te verdienen.''

Hoe dat komt? Het antwoord luidt telkens weer: ,,Door grandpa and son'' – al wil geen enkele Azeri daarop geciteerd worden. Grandpa is de 78-jarige president Heydar Alijev, een autoritair leider met een hartziekte en een diepe minachting voor de mensenrechten. Zijn zoon heet Ilham Alijev: de gedoodverfde troonopvolger en tevens vice-president van het staatsoliebedrijf Socar. ,,De manier waarop de familie zich op straat begeeft is stuitend'', zegt een restaurantmanager. ,,Ze zwaaien openlijk met hun pistolen alsof het hele land van hen is.''

Begin dit jaar rolde er nog een kop van een minister nadat was uitgelekt dat Ilham in een casino in Istanbul zes miljoen dollar ineens had verloren. ,,Als we voortgaan op de weg die we zijn ingeslagen zal AzerBajzjan over tien jaar een bijzonder welvarend land zijn'', zo citeerde een paginagrote reclame in The Herald Tribune de presidentszoon deze zomer nog.

Geen enkele overzeese oliemaatschappij kan om Socar en dus om Ilham heen, die momenteel het Azerbeidzjaanse Olympisch Comité in Sydney aanvoert. Socar, dat nog wat ruwe olie uit de lekkende Sovjet-velden weet op te pompen, is een hopeloze onderneming. Hapert de stroomvoorziening, dan importeert Ilham stookolie uit Turkmenistan aan gene zijde van de Kaspische Zee om daarop 's lands krachtcentrales te laten draaien, zodat Socar zelf weer moeizaam voort kan met het winnen van olie.

De latente volkswoede richt zich dan ook niet op de duur ogende kantoren van Agip, Eni, Elf, Conoco, Chevron, Shell, Frontera, Total, Statoil of Alberta Energy om er een paar te noemen maar op de heersende familieclan. Zo op het oog is de sociale onvrede in Baku verre van explosief, maar dat kan veranderen zodra grandpa zijn laatste adem uitblaast. En dat moment zou gezien diens zwakke gezondheid (vorig jaar onderging hij een bypass-operatie in de Verenigde Staten) niet ver meer hoeven zijn.

In vrijwel elke Azerische winkel hangt weliswaar de verplichte portretfoto van Heydar en Ilham Alijev, maar vooral zoonlief wordt alom gehaat. ,,Ilham en de afwezigheid van een pijpleiding, die twee factoren frustreren onze hoop op een beter leven'', zegt een Azerische tolk die een T-shirt draagt van de Italiaanse maatschappij ENI. Het opschrift (`The Future is Now!') klinkt als een aanklacht.