DE EEN IS SOMBER, DE ANDER HYPER

`ALS JE DEZE kinderen voor ieder vak naar een ander lokaal laat gaan, komen ze onderweg altijd wel iets tegen dat hun aandacht vraagt en waardoor ze te laat komen in de les. Dan krijgen ze op hun kop, terwijl het eigenlijk onze organisatie is die het verkeerd doet. Dat vond ik onterecht.''

De kinderen waarover coördinator onderbouw Christelien Hanssen van het Fredrik Hendrik College in Den Bosch spreekt zitten in het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) van het vmbo. Het lwoo is de opvolger van het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo), bestemd voor kinderen met beperkte intellectuele vermogens, leerachterstanden en/of sociaal-emotionele problemen. Het zijn kinderen die zich maar korte tijd kunnen concentreren, die zich gemakkelijk laten afleiden en veel begeleiding nodig hebben om tot schoolprestaties te komen. Kinderen dus die het gevaar lopen kopje onder te gaan in de massaliteit van het middelbaar onderwijs. Daarom heeft het Fredrik Hendrik College het lwoo vorig jaar zo ingericht dat verdwalen bijna onmogelijk is. Letterlijk en figuurlijk. De lwoo-leerlingen hebben een eigen `huiskamerklas' met twaalf leerlingen, een eigen gang en een `eigen' leraar die hen drie tot vier ochtenden per week les geeft in de algemene theoretische vakken.

``Als er bezoek komt, dan is het rustig in onze klas. Anders is het wel druk, hoor mevrouw.'' Yassine (12) kijkt met grote bruine pretogen op van zijn leesboek en lacht. Zijn buurman Abdel (13) is net begonnen in Kapitein Nemo van Jules Verne. Spannend? Hij knikt. De jongens hebben hun boek gepakt omdat ze de oefening die ze moesten maken voor Nederlands af hebben. ``We moesten een einde verzinnen voor het verhaal `Hallo held' van, ehm, even kijken, Corrie Hofkamp'', vertelt Yassine. ``Waar dat over gaat? Over een schaap dat gestolen is.'' Yassine en Abdel laten het verhaal traditioneel goed aflopen. Het kriebelige handschrift van Yassine waaiert breed uit over de pagina. `Een paar meter verderop staat een huis. Daar woonden de politieagenten. Ze wisten dat de dief zou komen. De politie grijpt snel in en pakt de dief. Kristel en Laura gingen weer naar huis lachend.'

Yassine wil kapper worden en Abdel automonteur. Allebei vinden ze het ``leuk'' op school, vooral handvaardigheid en meneer Geert-Jan is ook ``leuk''.

Geert-Jan van den Heuvel is de kerndocent ofwel mentor van de klas. Opgeleid op de PABO en afkomstig uit het speciaal basisonderwijs is dit jaar zijn eerste kennismaking met het vmbo. Hij geeft Nederlands, biologie, wiskunde en ondersteuningslessen in rekenen, spelling, lezen en verder ``alles wat voorvalt''. ``Net als in het speciaal onderwijs kun je hier niet zondermeer beginnen met je lessen. Je moet eerst blokkades wegnemen bij de leerlingen. Dat zie je al als ze binnenkomen: de een somber, de ander hyper. Als een leerling afwezig is zorg ik ervoor dat iedereen op de hoogte is, zodat er niet over gekletst wordt. Dat gaat allemaal af van de lestijd, maar de twintig minuten les die ik dan overhoud leveren meer rendement op dan anders een heel uur.''

Het Frederik Hendrik College heeft haar lwoo leerlingen ingedeeld in drie verschillende niveau-groepen: A, C en D. Het D-niveau is het hoogste: leerlingen werken hier met extra begeleiding naar hetzelfde diploma als leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Leerlingen op C-niveau werken toe naar verschillende certificaten en leerlingen op A-niveau leren vooral praktische vaardigheden. Voor elk niveau en elke beroepsrichting is een vakkenpakket op maat gemaakt, gebaseerd op de eisen van het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) waar veel leerlingen hun vervolgopleiding doen. Een klas met allochtone leerlingen afkomstig uit internationale schakelklassen krijgt op het Frederik Hendrik College bijvoorbeeld wekelijks negen uur Nederlands, terwijl drie uur gebruikelijk is. Die variaties in lesrooster krijgen met name vorm in de vrij ruimte, maar om echt maatwerk te kunnen leveren zou die vrijheid nog verder uitgebreid moeten worden, vindt Hanssen. ``Vroeger startten kinderen binnen het ivbo en eindigden daar. Nu zien we dat kinderen van de ene niveaugroep doorstromen naar de andere. Ze zitten meer op hun plaats en dat komt de resultaten alleen maar ten goede.''

Desalniettemin vinden Hanssen en haar collega's dat de lwoo-leerlingen te veel theoretische vakken krijgen. ``Dit stelt te hoge eisen aan de leerlingen, omdat zij zich niet lang kunnen concentreren'', vinden Hanssen en haar collega's. ``Als ze te lang moeten stilzitten krijg je gedragsproblemen.'' De huiskamerklassen bieden op dit gebied enig soelaas, want in een hele ochtend kan de kerndocent meer variatie in activiteiten aanbrengen dan in één lesuur.

Met het woordenboek op tafel wordt er in de huiskamerklas van juffrouw Cedy Peeters Weem ijverig gewerkt. Alle leerlingen (niveau D) hebben een geplastificeerde kaart gekregen met een tiental woorden die ze op alfabetische volgorde moeten zetten, waarna ze de betekenis ervan moeten opzoeken. De woorden zijn begrippen die in andere lessen terugkomen: mauve en kobalt voor het vak tekenen, meridiaan en vulkaan voor aardrijkskunde. ``Dit materiaal hebben we zelf ontwikkeld'', vertelt Peters Weem, terwijl ze bij een leerling die zijn antwoorden te slordig had opgeschreven het blaadje uit het schrift scheurt met de instructie opnieuw te beginnen. ``Er is voor deze kinderen geen lesmateriaal'', legt Hanssen even later uit. ``Deze groep kinderen is niet interessant voor uitgevers. Dus maken we hier heel veel zelf.''

Dankzij de kerndocent die meerdere vakken geeft zien de lwoo-leerlingen niet vijftien docenten maar tien of elf. ``Dat is nog veel'', vindt Hanssen. Zij zou graag meer vrijheid krijgen om vakken te combineren, zodat bijvoorbeeld economische onderwerpen binnen aardrijkskunde behandeld worden. ``Als leerlingen minder docenten voor hun neus krijgen hoeven zij zich minder aan te passen. Tegelijk is dankzij de huiskamerklas een ander soort docent opgestaan, die een betere band heeft met leerlingen. Voor hen is het kind niet meer puur een leerling, maar is mens geworden.'' Docenten weten meer van de historie van een leerling. Wekelijks is er overleg tussen de kerndocent, de leerlingbegeleider en coördinator Hanssen waarin gedrags- en leerproblemen worden besproken. Doel is te komen tot één individuele aanpak, die alle docenten volgen. Cees Bekkers, die 27 jaar het vak levensbeschouwing gegeven en sinds vorig jaar kerndocent is, ziet grote verschillen tussen de periode vóór en na de invoering van de huiskamerklassen. ``Vroeger waren we niet zo gericht bezig met de kinderen. Iedereen kreeg dezelfde methode. Nu pik je een kind op daar waar het uitvalt.''

Binnen de huiskamerklassen is structuur essentieel. Dat gaat zover dat de kerndocenten het huiswerk altijd aan de rechterkant van het bord opschrijven. Hanssen wil dat alle docenten vanuit dezelfde basis gaan werken, om zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden aan de leerlingen: ``Onze leerlingen zijn niet in staat zich continu aan te passen aan de school, dus past de school past zich aan aan de leerling.'' En met succes. Hanssen: ``In vergelijking met de jaren ervoor hebben we minder verzuim, minder drop-outs en minder gedragsproblemen. Dat zeg ik uit ervaring, voor echte cijfers is het nog te vroeg.''