Bot in olifantenputje

Eenmaal per jaar vist de zz10 in de Ooster-

schelde niet op mosselen maar op botten van fossiele zoogdieren van ongeveer 2 miljoen jaar oud. Afgelopen zaterdag kwamen tijdens de vijftigste tocht vooral hertenbotten boven water.

ONDER EEN DREIGENDE, asgrauwe lucht komt om vijf over acht de mosselkotter zz10 los van de kade. Het is nog stil in Zierikzee, het toeristenseizoen is duidelijk voorbij. Alleen aan boord van de zz10 is het druk. De leden van het genootschap Kor en Bot, aangevuld met familieleden en vrienden van de schipper en een enkele verslaggever, maken zich op voor een dagje vissen naar fossiele botten, één van de meest eigenaardige tradities binnen de Nederlandse wetenschap.

Het is deze regenachtige zaterdag 16 september de vijftigste keer dat Kor en Bot de trossen losgooit. Kor en Bot is een fictief genootschap, met veel traditie maar zonder statuten en bestuur. De voorzitter, tevens secretaris en penningmeester, is de burgemeester van Schouwen-Duiveland mr Jack Asselbergs en de wetenschappelijke verantwoordelijkheid ligt bij de conservator fossiele macrovertebraten van het Leidse Naturalis, dr. John de Vos. Samen stellen zij elk jaar de ledenlijst samen, bestaande uit geologen, paleontologen en biologen van een aantal musea en universiteiten en verder uit belangstellende amateurpaleontologen en de inner circle van de schipper. Elk jaar is ook wel een buitenlandse wetenschapper, TV-ploeg of journalist aan boord te vinden, dit keer dr. Ralph Kahlke van het Institut für Quartärpaläontologie uit Weimar; Richard Stone, European News Editor van Science en een tweetal vertegenwoordigers van Planet Internet.

De Zeeuwse ondergrond bestaat grotendeels uit dikke lagen marien sediment. Zand en kleipakketten wisselen elkaar af, dikwijls rijk voorzien van fossiele schelpen en resten van andere mariene levensvormen. Op een diepte van ongeveer 40 à 45 meter bevindt zich echter een laag die van continentale oorsprong is, de formatie van Tegelen. Deze kleiïge laag is genoemd naar het Noordlimburgse Tegelen, waar al in het begin van de vorige eeuw fossiele zoogdieren werden gevonden in groeves waar klei voor de aardewerkindustrie werd gewonnen. Een bepaald niveau van het vroege Pleistoceen, het Tiglien, is naar deze fossielen genoemd.

Ook onder Schouwen-Duiveland is een Tiglien-laag aanwezig, maar door de diepte ervan is het onmogelijk om er op grote schaal fossielen te vinden. De enige plekken waar dat wel kan liggen onder water. Vlak voor de zuidoever tussen Zierikzee en het natuurgebied de Schelphoek bevindt zich een tweetal diepe geulen, die zijn uitgeslepen door de sterke stroming van de Oosterschelde. De ene geul, ter hoogte van café de Heerenkeet, bereikt een diepte van ruim 40 meter. Dit is het Gastenputje. Iets verder naar het westen, bijna ter hoogte van de Schelphoek ligt het Olifantenputje, waar dieptes van bijna 50 meter worden gemeten. Op deze twee plaatsen komt de formatie van Tegelen `aan de oppervlakte'. De stroming neemt de klei en zanddeeltjes uit het sediment mee en de zwaardere botten blijven op de geulbodem achter. Het is dan ook in deze twee putten dat de zz10 botten in de mosselnetten krijgt. Zo'n mosselnet heet een kor, vandaar de naam Kor en Bot.

Om kwart over negen heeft het schip het Gastenputje bereikt en gaan de beide korren overboord. De trek duurt ongeveer vijf minuten, waarna de netten weer worden opgehaald en de inhoud ervan op de dekplanken gestort. Een grote krioelende massa zeesterren, slang- en brokkelsterren, krabben, een enkele kreeft en wat oesterschelpen. Gewapend met een klauwhamer wroet John de Vos, geassisteerd door een handvol amateurgeologen, in de massa op zoek naar botten. De ook aanwezige bioloog van het Texelse Ecomare speurt naar zeldzame krabben. De eerste trekken leveren geen botten op, maar om één minuut over tien is het raak: De Vos houdt triomfantelijk een brok olifantenbot omhoog, helaas slechts een fragment van een groter bot, maar toch genoeg om een volgend onderdeel van de traditie tot leven te wekken: de jeneverfles. Elk jaar wordt geproost op de vondst van het eerste bot, dus om twee minuten over tien staan Asselbergs en De Vos in een kring waar de fles rondgaat langs plastic borrelglaasjes.

Tegen het middaguur is een kleine bottencollectie uitgestald op een dekluik op de voorplecht. Het mooiste is een ellebooggewricht van een groot Pleistoceen hert, Eucladoceros. Het is het onderste deel van het opperarmbeen (begroeid met mosdiertjes en een enkele zeepok) en het bovenste deel van het spaakbeen uit de onderarm. Ze passen wonderwel nog in elkaar ook, dus het is goed mogelijk dat ze van het zelfde individu stammen. In de loop van de dag zal blijken dat er vooral hertenbotten worden opgevist, naast wat olifantenmateriaal en een mooie paardenkies.

minder hertig

Andere jaren is de samenstelling van de opgeviste fauna wel eens minder hertig, en in de loop van 50 jaar vissen is een bijzonder goed beeld ontstaan van de zoogdierfauna die in het vroege Pleistoceen langs de oever van de oer-Schelde leefde. Er waren twee soorten olifanten: de zuidelijke mammoet (Mammuthus meridionalis) en de mastodont (Anancus arvernensis). Beide soorten leefden hier in een savanne-achtig landschap, met vermoedelijk veel bosachtige structuren. Het waren in elk geval geen graseters, zo kan uit de vorm van de kiezen worden afgeleid, maar ze voedden zich met bladeren en twijgjes. Verder bestond de fauna uit een tweetal herten waaronder de grote Eucladoceros, de Etruskische neushoorn (Stephanorhinus etruscus), een groot paard, een varken dat de voorouder is van het huidige wild zwijn, een hyaena en een sabeltandtijger.

De vraag dringt zich op hoe lang het geleden is dat deze fauna hier leefde. Er zijn geen directe dateringen beschikbaar van de Oosterschelde-botten. Voor de bekende C14 dateringen is dit materiaal veel te oud, en andere methoden zijn zowel zeer kostbaar als niet altijd mogelijk. In zo'n geval is de onderzoeker afhankelijk van indirecte methoden. De meest gebruikte is de correlatie-methode, waarbij gezocht wordt naar andere fauna's met een vergelijkbare samenstelling. Zo'n fauna is gevonden bij het midden-Franse stadje Chilhac, gelegen in een bocht van de Allier. De fauna van Chilhac omvat de zelfde twee olifantachtigen, twee herten waaronder Eucladoceros, de Etruskische neushoorn, een groot paard, een antilope, een hyaena, een sabeltandtijger, en verder nog een beer en een soort wasbeerhond. Het is dus bijna dezelfde fauna, en deze fauna heeft men wél goed kunnen dateren dankzij laagjes vulkanisch materiaal afkomstig van de vulkanen van de Auvergne. De fauna van Chilhac is 1,9 miljoen jaar oud. Het is vrijwel zeker dat Chilhac en de Oosterschelde-botten ongeveer even oud zijn. We weten dat, omdat het samen voorkomen van de beide olifantensoorten slechts tijdens een korte periode plaatsvond. Ook de rest van de fauna is zodanig identiek dat er een goede correlatie tussen beide vindplaatsen valt te leggen. De Vos en zijn collega's gaan er dus voorlopig vanuit dat de Oosterschelde-fauna ook ongeveer 1,9 miljoen jaar oud is.

Een andere redelijk betrouwbare methode om fossiele zoogdierfauna's te dateren is met behulp van kleine zoogdieren: muizen en spitsmuizen. Deze soorten evolueren vaak sneller, en de samenstelling van een kleine zoogdierfauna wisselt dermate vaak dat er – via de correlatie-methode – dikwijls opvallend goed mee kan worden gedateerd. In de netten van de zz10 blijven echter wel hertenbotten achter, maar natuurlijk geen muizenkiesjes. Om dat probleem te ondervangen is Joop van Veen van het Teylers Museum vier jaar geleden begonnen met verzamelen van het sediment zelf. Van Veen heeft stalen buizen ontworpen die aan de korren worden vastgemaakt op zodanige wijze dat ze onder het sleepnet een monster van het sediment nemen en mee naar boven halen. Tot nu toe heeft dat drie soorten kleine zoogdieren opgeleverd: een watermol die verwant is aan de zeldzame Pyrenese desman, en twee woelmuizen. Hoewel dit tot nu toe een nog gering resultaat is, spreken de soorten een datering rond 1,9 miljoen jaar in ieder geval niet tégen. Ook dit jaar zijn de `muizenbuizen' van Van Veen weer gebruikt; de resultaten worden over een paar maanden verwacht.

eiland-notabelen

Al dit onderzoek zou niet mogelijk zijn zonder de belangenloze medewerking van de familie Schot. Schipper Ben Schot stelde in 1951 zijn kleine kotter zz8 ter beschikking aan een klein gezelschap wetenschappers en eiland-notabelen, nadat de vondst van een fossiele haaientand hun interesse had gewekt. Dat was nog in de Westerschelde, maar al spoedig verlegde de wetenschappelijke belangstelling zich naar de Oosterschelde. Eens per jaar voer de zz8 uit. De zoons van Ben Schot, Jaap en Wim, zetten de traditie voort, ook met de nieuwere en grotere zz8 van later jaren. De huidige schipper, Jaap Schot Wimzn, vormt alweer de derde generatie, en het schip is inmiddels de nog weer grotere zz10 geworden. Ter gelegenheid van de vijftigste tocht werd Jaap Schot door het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis geëerd met de Dubois-penning en een oorkonde.

Om half vier wordt de laatste trek bovengehaald en voor de voeten van Asselbergs en De Vos aan dek gestort. Terwijl in de rest van Europa bijna een burgeroorlog uitbreekt over de hoge dieselprijzen, laat Jaap Schot de motoren op volle toeren draaien om weer naar Zierikzee terug te keren. De steeds heviger regen striemt de dekken schoon, op de voorplecht wappert een kleine vlag met het rood-gele Shell-logo in de harde Noordwester bries.

Jelle Reumer is directeur van het Natuurmuseum Rotterdam en maakt deel uit van het genootschap Kor en Bot.