Arsenicum en nieuwe pompen

Door `arsenicum en oude kant' is bekend dat arsenicum niet gezond is. Een hoge dosis blokkeert de energieproductie van onze cellen. Ratten en mensen, die op arsenicum worden getracteerd, gaan dood aan acute beschadiging van darm, nier en lever. Ook een chronische vergiftiging is geen pretje. Het slachtoffer proeft niets, maar krijgt wel een bonte reeks van klachten, van misselijkheid en buikpijn tot concentratiestoornissen. Alleen een heel argwanende dokter denkt dan aan arsenicum. Pas als er huidafwijkingen optreden, die er vrij onsmakelijk uitzien, wordt duidelijk dat de patiënt te veel arsenicum binnen krijgt.

Wie weg blijft van rattekruid, heeft niets te vrezen dacht men tot voor kort. De wereld zit wel vol arsenicum, maar het leeuwedeel daarvan blijft in diepere aardlagen verscholen. Het beetje dat in de voedselketen terechtkomt, kunnen we voldoende ontgiften, uit onze cellen pompen en uitplassen. Daar is verandering in gekomen, toen mensen op zoek gingen naar meer en schoner water, en putten gingen slaan. Daarbij kunnen aardlagen worden aangeboord die veel arsenicum bevatten. Dat lekt in het grondwater en wordt opgepompt.

De eerste keer dat dit op catastrofale schaal gebeurde was in West-Bengalen in India. De ontwikkeling van nieuwe rijstvarianten zorgde voor een groene revolutie, maar daar was wel meer bevloeiingswater voor nodig. Daarom werden vanaf de jaren zestig waterpompen geslagen. Het duurde even voordat duidelijk werd wat de pompen boven brachten, want arsenicum in water zie je niet en proef je niet. Pas in de jaren tachtig bleek dat tenminste 300.000 mensen in West-Bengalen aan een chronische arsenicumvergiftiging leden.

Je zou denken dat in West-Bengalen een les geleerd was, maar dat was niet het geval. Arsenicum is niet makkelijk te bepalen, zeker niet als dat in een straatarm deel van de wereld moet gebeuren met een slecht systeem van verbindingen en een starre bureaucratie, die niet houdt van slecht nieuws. De West-Bengaalse vergiftiging werd nooit voorpagina nieuws. Zo kon het gebeuren dat in het buurland, Bangladesh, de UNESCO een schoonwater campagne begon, die de bevolking moest bevrijden van de cholera en dysenterie bacteriën, waarmee het oppervlaktewater is besmet. Er werden zo'n 2 miljoen pompen geslagen, die water oppompten vanuit diepere grondlagen. Niemand kwam op het idee om eens te controleren of dat diepe water niet alleen bacteriologisch schoon was, maar ook chemisch door de beugel kon. Ontwikkelingswerk trekt bevlogen figuren, type Pronk, geen wetenschappelijke wijsneuzen. Zo werd met honorabele bedoelingen een vergiftigingsexperiment opgezet, waarbij miljoenen mensen betrokken werden. Pas in 1992 werd duidelijk dat een groot deel van de nieuw geslagen pompen water oppompt met een onacceptabel hoog arsenicumgehalte. Nu lopen zo'n 70 miljoen mensen gevaar, waarschijnlijk de grootste milieuramp van de 20ste eeuw.

Zelfs in Zuid-Italië is het moeilijk om autoriteiten in beweging te krijgen bij rampen. In India en Bangladesh is dat vrijwel onmogelijk. Het hielp niet dat West-Bengalen ver van New Delhi ligt, de bevolking arm en machteloos is, en het probleem onoverzichtelijk. Ontkenning en inertie werden afgewisseld met megalomane papieren plannen, zoals aanvoer van water uit de rivier Ganges (een project dat minimaal 20 jaar zou gaan kosten).

Een stroom van Westerse experts kwam de mega-epidemie in Bengalen bekijken. Dit was een weergaloze kans om kennis op te doen, zoals het tijdschrift Science het fijntjes formuleerde. De risico's van chronische arsenicumvergiftiging zijn nog niet goed in kaart gebracht. Er is zelfs nog meningsverschil over de maximale arsenicumconcentratie die acceptabel is in drinkwater. Te veel arsenicum geeft niet alleen huidafwijkingen, darmklachten en concentratiestoornissen, maar op den duur ook kanker. De huidafwijkingen verdwijnen als de patiënt schoon water krijgt, maar de huidkanker niet. De kans op kanker blijft niet beperkt tot de huid, waar behandeling vrij effectief is, maar arsenicum geeft ook kanker van blaas en longen. Vandaar dat onderzoekers en waterbewakers graag willen weten hoeveel arsenicum nog verantwoord is in drinkwater in Bangladesh, maar ook in Westerse landen. De grootschalige vergiftiging van Bengalen en Bangladesh biedt de kans om die informatie te vergaren. Handig, zo'n ramp ver weg.

De lokale bevolking heeft niet veel aan deze Westerse belangstelling. Die is vooral gebaat met simpele, goedkope methoden om arsenicum te bepalen, water te ontgiften of schoon water van elders aan te voeren. Die methoden bestaan, maar ze worden niet toegepast door gebrek aan geld en politieke daadkracht.

Arsenicum in drinkwater is niet alleen een probleem van ontwikkelingslanden. Ook rond Detroit in de VS liggen dure dorpen, waar villa's over eigen waterpompen beschikken en waar welvarende bewoners vergiftigd zijn door parelend bronwater. De provincie wist dat er iets mis was, maar had de huiseigenaren niet gewaarschuwd om de huizenprijzen niet te doen kelderen, lees ik in de Detroit Free Press, die een collega mij toestuurde. Die collega, Barry Rosen, is al heel lang geïnteresseerd in de wijze waarop bacteriën zich weren tegen arsenicum.

Ook daarbij spelen pompen een rol, moleculaire pompen, die in de celwand van de bacterie zitten en die het arsenicum dat naar binnen sijpelt weer naar buiten pompen. Onze darmbacteriën beschikken zelfs over twee pompen, een simpel pompje voor beperkte besmetting en een krachtige pomp voor het geval wij onszelf echt vergiftigen. De arsenicumpomp wordt alleen aangemaakt als er arsenicum in de buurt is. Bacteriën beschikken daartoe over een ingenieus signaleringssysteem, waarmee ze de arsenicum in hun omgeving herkennen. Hoe dit alles in zijn werk gaat, is door Barry Rosen uitgezocht.

Arsenicumpompen zijn de afgelopen jaren ook bij zoogdieren ontdekt. Een aantal van de geneesmiddelenpompen, waarmee kankercellen zich weren tegen chemotherapie, blijkt ook arsenicum de cel uit te kunnen pompen. Meestal kunnen de moleculaire pompen in onze weefsels het aanbod aan. Alleen als goedbedoelende, maar onnozele, ontwikkelingswerkers waterputten slaan, waarmee water uit diepere aardlagen wordt opgepompt, verliezen de moleculaire pompen in onze cellen de strijd van de mens gemaakte pompen die een overvloed aan arsenicum aanvoeren.