Allemansopties

Personeelsopties (kooprechten) lijken voor fiscale techneuten het gesprek van de dag. Het kenmerk van zo'n optie op de aandelen van jouw bedrijf, is dat je met een geringe investering misschien veel geld kan verdienen. Dat heet de hefboomwerking van opties. Die vlieger gaat alleen op wanneer de koers van het onderliggende aandeel tijdens de optielooptijd stijgt en je dat kooprecht op een gunstig moment mag uitoefenen, kan verzilveren, en niet moet wachten tot na een bepaalde datum, wanneer de koers lager is.

Bedrijven die deze opties gratis verstrekken, hopen dat zo'n groeidiamant de inzet vergroot. Helaas kunnen individuele werknemers weinig doen aan de beurskoers van hun bedrijf, weinig druk uitoefenen op de hefboom. Neem het aandeel Worldonline als voorbeeld, of Baan, om twee van de vele missers te noemen. Dan werkt zo'n optie juist demotiverend.

Daar komt bij dat de fiscus belasting heft over deze gratis beloning. Dat is je geringe investering. Hef je nou bij een verstrekking, met de kans dat de optie waardeloos afloopt, of bij een winstgevende uitoefening? Daar gaat de taaie discussie over. Niemand vraagt zich af of er geen alternatieven bestaan, prikkels waar iedereen wat aan heeft. Allemansopties. Weg met de personeelsopties.

Zelfs de FNV zet een hoge borst op in de discussie: opties voor iedereen. Dat is vreemd, want alleen werknemers van bedrijven met een (toekomstige) beursnotering profiteren er misschien van, omdat de waarde van hun aandelen op de beurs door buitenstaanders wordt bepaald. Op de effectenbeurs kan je de opgevraagde aandelen makkelijk verkopen.

Naamloze en besloten vennootschappen zonder beursnotering geven ook aandelen uit, maar hoe bereken je de waarde ervan en willen ze wel opties aan hun personeel geven?

En hoe komen de miljoenen werknemers in instellingen en niet-ondernemingen aan hun trekken? Kijk naar de mensen in de zorg en het onderwijs. Toch twee pijlers van onze economie. Zonder gezonde en goed opgeleide mensen kom je nergens als maatschappij. Neem de vele ambtenaren. De niet-markt sector, zuchtend onder het juk van budgetten en begrotingen, moet toch ook kunnen profiteren van onze bloeiende economie? De vakbeweging moet zich maar eens serieus richten op de allemansopties.

Dat lijkt een fikse klus, maar het wettelijke, fiscale, juridische en administratieve kader bestaat al sinds 1 januari 1994: de winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers. Ofwel het bedrijfssparen, bedacht door de politici Vermeend en Vreugdenhil, en bedoeld om de betrokkenheid van werknemers te vergroten.

Werknemers kunnen in theorie kiezen uit een premiespaar-, spaarloon-, winstdelings- en aandelenoptieregeling. In de praktijk is een werkgever niet verplicht deze vier regelingen in te voeren. Vooral de premiespaar- en spaarloonregelingen zijn populair. De winstdelings- en optieregelingen zijn niet geschikt voor de allemansopties, want niet alle ondernemingen werken met een winstoogmerk en niet alle vennootschappen kunnen, willen of mogen opties op hun aandelen afgeven.

Hoe pas je de allemansopties in het spaarbouwwerk? Je moet eerst met nadruk één punt toevoegen aan de doelstelling: alle werknemers kunnen via een maandelijkse inleg in een beleggingsfonds participeren in de economie. Werkgevers zijn verplicht die faciliteit aan te bieden. Zo krijgt iedere werknemer een optie op de `onderliggende waarde' Nederlandse, Europese of wereldwijde economie.

Door die belegging te laten lopen via de bestaande spaarloonregeling beleg je met belastingaftrek. Je mag immers een deel(tje) van je bruto salaris inleggen zonder loonbelasting te betalen – bruto is netto. In feite kan je nu al beleggen via spaarregelingen, maar veel werkgevers en hun uitvoerende banken willen het (terecht) niet uit kostenoverwegingen. Een maandelijkse, automatische, rechtlijnige inleg is goedkoop. Hoeveel kan zo'n belegging nou opleveren, uitgaande van historische cijfers?

In de ConsumentenGeldgids (juli/augustus) staat een achtjaarsoverzicht (bron: Nyfer) van beleggingsfondsen Nederland. Koploper bij de grote fondsen (large caps) is het ABN Amro Netherlands Fund met een rendement van 24,4 procent per jaar, gevolgd door het ING Bank Dutch Fund, het AEX Index Fund enzovoorts. Bij de small- en midcaps maakt het Orange Fund 18,6 procent per jaar.

Voor de berekening gaan we uit van 100 gulden per maand, 1.200 gulden per jaar, 8 jaar lang geblokkeerd (dus een lange termijn belegging), en 20 procent rendement (niemand weet of dit hoog zo blijft!). Dat levert 23.758 gulden op, op een inleg van 9.600 gulden. Dus rond de 150 procent. Maar eigenlijk meer, vanwege het belastingvoordeel bij de inleg. Het is maar een schatting hoor!

Wat zegt het nieuwe belastingsysteem? De bedrijfsspaartegoeden in box 3 zijn tot 37.518 gulden per persoon vrijgesteld van de 1,2 procent heffing. Dat pleit voor een langere blokkeringstijd dan de gebruikelijke vier jaar.

Wanneer iedere onderneming allemansopties aanbiedt, kan iedereen deze meenemen naar een nieuwe baas.