Zwitserse ratten en rioolbuizen

De Zwitserse Zoë Jenny verraste de wereld in 1997, op 23-jarige leeftijd, met een perfect debuut. Das Blütenstaubzimmer was een roman waarin geen woord te veel stond. En de korte, pregnante zinnen gingen ook nog eens ergens over. Zoë Jenny rekende af met de generatie van haar ouders, de protestgeneratie die het kroost aan z'n lot overliet.

Inmiddels ligt er een nieuwe roman van Zoë Jenny in de winkels. Der Ruf des Muschelhorns heeft veel met zijn voorganger gemeen. Ook hier heerst een sobere taal en ook hier keert een jonge vrouw zich van de volwassenen af. Maar het lot van déze jonge vrouw raakt je minder. Wat is er misgegaan?

Er is vooral iets mis met het vertelperspectief. Hield Zoë Jenny in haar eersteling nog vast aan één personage dat alles zelf beleefde en vertelde, in haar tweede boek bekijkt de schrijfster de wereld nu eens door de ogen van een of andere bijfiguur en dan weer door die van de protagoniste. Dat leidt de aandacht af van die protagoniste, dat maakt de roman gedeconcentreerd. Zoë Jenny hinkt op twee gedachten. Aan de ene kant probeert ze weer te geven wat jongeren in het algemeen beweegt, aan de andere kant wil ze vertellen over het bijzondere meisje Eliza.

Had ze zich maar beperkt tot Eliza. Tot haar bijzonderheid. Nu moeten we volstaan met een soort uittreksel. Daarin komen we te weten dat Eliza als kind door haar moeder wordt gedumpt bij haar oma, dat Eliza zielsveel van oma houdt, dat oma sterft en dat de kleindochter in een tehuis belandt waar ze erg ongelukkig is. We horen ook nog hoe het verder gaat: Eliza houdt op met praten, een kinderpsycholoog interesseert zich voor het geval, hij adopteert het meisje en gaat met haar naar bed, hij krijgt haar aan de praat maar Eliza loopt weg met zijn zoon en duikt onder in een subcultuur van zwervers en chaoten.

Natuurlijk verrijkt Zoë Jenny dit uittreksel met details. Sommige daarvan, een paar landschapsschilderingen bijvoorbeeld, zijn sterk: `Het licht sneed in elke rots het profiel van een paardekop. Als de avond helder was, dan leken ze dichterbij te komen en het dal in te galopperen. (–) Zodra de zon achter de Zeven Hengsten was verzonken, verbleekten alle kleuren, verdwenen de schaduwen, en de rotsen vielen weer in hun grijze gladde starheid terug.' Ook de intieme scène met de adoptiefvader bevat poëzie: `Ze lagen naast elkaar, twee helften van een capsule. Eliza schoof haar hoofd op zijn borst, die steeg en daalde, en droomde van schepen, opkomende storm, fladderende zeilen.' Hoe eenzame mensen zich aan elkaar vastklampen, heel even zoiets als geluk beleven en dan weer treurig van elkaar afdrijven omdat het vertrouwen ineens is geschonden: dat proces beschrijft Zoë Jenny zo fijnzinnig en zo behoedzaam alsof ze het aan den lijve heeft ondervonden.

Maar ze verpest de stille melancholie met luidruchtige sentimentaliteit. De oma met haar wijde rokken en meerschuimen pijp is geen Biedermeieridylle maar een karikatuur. En de hoorn in de vorm van een schelp waarmee zij haar kleinkind roept zodra het eten klaar is wekt onbedoeld de lachlust op. Als een pervers monster ontpopt zich de echtgenote van de psycholoog: zij start een reclamecampagne waarbij tienermeisjes haar nieuwste mode showen terwijl ze worden verkracht. De junkiekoning bij wie Eliza tenslotte haar toevlucht zoekt is een ongeloofwaardige profeet en het rijk waarover hij regeert vertoont de kenmerken van een smakeloze documentaire.

Snelwegviaducten beklad met graffiti, ratten die uit rioolbuizen kruipen, op drift geraakte jongeren die de boel kort en klein slaan: het is alsof Zoë Jenny wil laten zien dat je in Zwitserland ook grotestadsproblemen hebt. Maar anderen hebben de rafelranden beter beschreven. Zelfs landgenoten van Zoë Jenny, zoals Thomas Hürlimann of Adolf Muschg. Nee, aan een panoramisch epos is Zoë Jenny nog niet toe. Wat zij nodig heeft, is een lector die haar tegen pretenties beschermt.

Zoë Jenny: Der Ruf des Muschelhorns. Frankfurter Verlagsanstalt, 124 blz. ƒ34,30