William Haseltine, een moleculaire miljonair

Het Amerikaanse bedrijf HGS is pionier op het gebied van genomics, het grootschalig en systematisch onderzoek aan genen. HGS richt zich bij de ontwikkeling van medicijnen vooral op signaal-eiwitten. Dat zijn moleculen die allerlei biologische processen sturen. Hoe groot ook het succes, de verliezen van HGS groeien.

Een vriend van dr. William A. Haseltine kreeg vorig jaar een zware hartaanval. De man was pas 30 jaar oud. ,,Er gebeurde na die aanval iets bijzonders in zijn lichaam'', zegt Haseltine, directeur van het Amerikaans biotechnologisch bedrijf Human Genome Sciences (HGS). ,,Een hartaanval ontstaat als de hartspier te weinig zuurstof krijgt. Dat kan te wijten zijn aan beschadigde of verstopte kransslagaders. Artsen kunnen het probleem proberen te verhelpen door een bypass aan te leggen. Maar bij mijn vriend hoefden ze dat niet te doen. Zijn lichaam vormde uit zichzelf nieuwe kransslagaders. De artsen konden het niet geloven. Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Nu, een jaar later, speelt hij weer polo.''

Wat bij zijn vriend vanzelf gebeurde, hoopt Haseltine bij hartpatiënten voor elkaar te krijgen met een medicijn dat zijn bedrijf heeft ontwikkelt. Via genetisch onderzoek hebben wetenschappers van HGS een menselijk gen opgespoord dat de vorming van bloedvaten stimuleert. ,,We spuiten dat gen rechtstreeks in het hart van de patiënten. Als het goed is gaan zich daar dan nieuwe bloedvaten vormen.'' Experimenten met het medicijn lopen nog. Of het middel ooit op de markt komt is dus nog niet zeker.

Haseltine, begin deze week even op een biotechcongres in het Krasnapolsky Hotel in Amsterdam, richtte HGS op in 1992. Het bedrijf, gevestigd in Rockville, stond al snel bekend als pionier op het gebied van genomics, het grootschalig en systematisch onderzoek aan genen. Via een nieuwe techniek slaagde het bedrijf er in menselijke genen in hoog tempo op te sporen. Een jaar na de oprichting sloot HGS een groot contract met het farmaceutisch bedrijf SmithKline Beecham. Voor 125 miljoen dollar kreeg het Britse bedrijf toegang tot de `genenbank' van HGS. Het is tot op heden een van de grootste deals tussen een farma- en een biotechbedrijf.

De overeenkomst had zijn effect. Na SmithKline Beecham volgden andere grote farma-bedrijven zoals Merck, Takeda Chemical Industries en Schering-Plough. Het geld stroomde met de tientallen miljoenen binnen bij HGS. Andere biotech-bedrijven, zoals Millennium en Incyte, begonnen ook genenbanken aan te leggen. De deal tussen HGS en SmithKline Beecham luidde een nieuw tijdperk in voor de farmaceutische industrie. Sindsdien zijn genen het uitgangspunt voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen.

Toch verbaast Haseltine zich over de aanpak van de farmabedrijven. ,,Wij ontwikkelen zelf ook medicijnen'', zegt hij. ,,Maar voor ons zijn de genen zèlf het medicijn. Of het genproduct, het eiwit, is het medicijn. Maar bij de farmabedrijven gaat het anders. Eerst zoeken ze naar een interessant gen dat een rol speelt bij het ontstaan van een ziekte zoals Alzheimer of osteoporose (botontkalking). Daarna ontwikkelen ze via chemische synthese een medicijn tegen dat gen of tegen het corresponderende eiwit.''

Volgens Haseltine zijn er meer dan 3.000 medicijnen. Eiwitten, zoals insuline en EPO, maken daarvan nog geen twee procent uit. Terwijl ze volgens hem tien procent van de totale omzet aan medicijnen in beslag nemen. ,,Toch wagen grote farmabedrijven zich er niet aan'', zegt Haseltine. ,,Pfizer? Doet niks aan eiwitmedicijnen. Bristol-Meyers? Niks. Aventis? Nul. Novartis en Schering-Plough hebben een voorzichtige interesse laten doorschemeren. Alleen Roche besteedt er veel aandacht aan, maar doet dat via een ander bedrijf, Genentech.''

Haseltine begrijpt dat farmabedrijven niet halsoverkop hun koers kunnen omgooien. Daarvoor zijn hun structuren te groot en te log. ,,Kijk naar Bristol-Meyers of naar Merck. Ze hebben enorme afdelingen met allerlei verschillende soorten chemici. Die mensen zet je natuurlijk niet zomaar op straat.''

Toch komen farmabedrijven er volgens Haseltine niet onder uit om hun strategie aan te passen. ,,Ze doen er nog steeds 10 tot 12 jaar over om een medicijn op de markt te brengen. Dat is te lang. Voor elke 2,5 miljard die je investeert moet je jaarlijks 4 tot 5 medicijnen op de markt brengen. Farmabedrijven halen op dit moment een gemiddelde van slechts één tot anderhalf. Aandeelhouders tolereren dat niet. Farmabedrijven vullen dat gat nu door contracten af te sluiten met biotech-bedrijven die veelbelovende medicijnen in ontwikkeling hebben.''

Voordat Haseltine HGS oprichtte had hij al een flinke reputatie opgebouwd. Hij studeerde chemische natuurkunde en biofysica aan de universiteit van Harvard. In de jaren zeventig deed hij kankeronderzoek, onder meer bij Nobelprijswinnaar David Baltimore. Van 1982 tot 1992 leidde hij aan de Harvard Medical School een groep die aidsonderzoek deed. Twee jaar voordat hij daarmee begon, richtte hij zijn eerste bedrijf op. Er zouden er daarna nog zes volgen. Waaronder Diversa, het bedrijf dat een aantal jaren geleden een omstreden patent kreeg op een bacterie die werd ontdekt in de heetwaterbronnen van Yellowstone National Park.

HGS is Haseltines laatste en meest succesvolle bedrijf. In 1995 kreeg hij een prijs voor zijn genetisch onderzoek aan veroudering (een prijs die hij deelde met Nancy Reagan, die zich zeer heeft ingezet voor onderzoek naar Alzheimer). Een jaar later riepen zowel Ernst & Young en KPMG hem uit als `ondernemer van het jaar' op het gebied van de biotechnologie. Het Amerikaanse blad Genetic Engineering News stelt jaarlijks een top-50 van de meest succesvolle biotechbedrijven op. HGS stond dit jaar op de achtste plaats. Het bedrijf heeft een geschatte marktwaarde van 9,5 miljard dollar. En Haseltine zelf eindigde dit jaar hoog in de top-100 lijst van `moleculaire miljonairs'. Hij staat nu op plaats zes, met een geschatte waarde van 284 miljoen dollar.

HGS richt zich bij de ontwikkeling van medicijnen vooral op signaal-eiwitten. Dat zijn moleculen die allerlei biologische processen sturen. Ze stimuleren de groei van cellen, of remmen die juist. Ze zetten cellen aan tot zelfmoord. Ze zorgen ervoor dat een cel zich gaat specialiseren tot bijvoorbeeld een lever-, een spier- of een zenuwcel. Eén van die eiwitten is KGF2 (keratinocyt groeifactor 2). Het zet huidcellen aan tot deling. KGF2 speelt een rol bij bijvoorbeeld de wondheling.

HGS test dit eiwit nu als medicijn op patiënten met open wonden aan hun enkels of onderbenen. De patiënten lijden aan een chronische vaatziekte en hebben een slechte bloedcirculatie. In hun enkels of onderbenen hoopt zich daardoor vocht op. Dat gaat van kwaad naar erger. Uiteindelijk vormen zich open wonden, soms helemaal tot op het bot. De slecht helende wonden kunnen zo groot zijn als een pakje sigaretten.

HGS testte het eiwit op 94 patiënten met open wonden van 3 tot 30 vierkante centimeter groot. Het eiwit werd, verwerkt in een zalf, op de wond gesmeerd. Bij 63 procent had zich de wond na 12 weken voor 75 procent gesloten. Uiteindelijk sloot de wond zich bij 38 procent van de patiënten helemaal. Bij patiënten die een placebo (nepmiddel) kregen, lagen die percentages op respectievelijk 45 en 29 procent. De resultaten zijn redelijk positief.

HGS verwacht in de toekomst veel meer medicijnen te ontwikkelen. Aan de patenten zal het niet liggen. Het bedrijf bezit volgens Haseltine zo'n 150 goedgekeurde patenten. En bij het Amerikaanse patentbureau liggen nog patentaanvragen voor 7.700, op menselijke genen gebaseerde, uitvindingen.

Maar om meer medicijnen te ontwikkelen zal het bedrijf kapitaal moeten aantrekken. En totdat het eerste medicijn op de markt is en geld gaat opleveren, zal HGS zich verder in de schulden moeten steken. Tijdens de bekendmaking van de halfjaarcijfers in juli bleek het verlies voor de eerste zes maanden van 2000 te zijn opgelopen tot 78 miljoen dollar maar daarin was 50 miljoen dollar aan eenmalige kosten begrepen. In het eerste halfjaar van 1999 was het verlies nog 14 miljoen dollar.

Haseltine verwacht veel van eiwitmedicijnen. Maar ook op andere gebieden voorspelt hij doorbraken. Tissue engineering bijvoorbeeld. Weefsels en organen worden maakbaar. Cellen zijn buiten het lichaam te kweken. Het is mogelijk om ze in een kunststof matrix te plaatsen die vervolgens in het lichaam van een patiënt wordt gebracht. ,,Grote faciliteiten kweken straks cellen en organen. Welke je maar wil. Nieren, levers, handen. Ze zullen in groten getale opgeslagen liggen. Maar eerst hebben we nog meer kennis nodig, bijvoorbeeld over celbiologie en over materiaalkunde.''

Volgens de Amerikaan zal ook de neuromechanica grote vooruitgang boeken. ,,Je ziet het nu al met gehoorimplantaten, pacemakers. Er zijn mensen met een pacemaker die een jaar lang de hartslag opneemt. En er wordt gewerkt aan pacemakers waarbij de hartpatiënt een apparaatje bij zich draagt dat signalen verstuurt naar het ziekenhuis. Daar registreren ze dus voortdurend de hartslag. Als ze iets afwijkends ontdekken, kunnen ze de patiënt meteen bellen en hem vragen of er iets aan de hand is. Dit soort ontwikkelingen gaat ook steeds verder.''

Waar eindigt het? Haseltine heft de schouders. Hij weet het niet. Wel verwacht hij een omslag in het denken over de levende natuur. De reductionistische benadering (die het lichaam beschouwt als een machine: weet je hoe de onderdelen werken, dan ken je de machine) zal aan terrein verliezen. Want die voldoet volgens Haseltine niet om de complexe organisatie van cellen in weefsels, in organen, in organismen te verklaren. ,,En wat dat betekent voor de geneeskunde? Tja. In ieder geval zal er altijd een debat zijn over de grens van wat-nog-toe-te-staan en wat-te-verbieden. En die grens blijft verschuiven. Maar waar we over honderd jaar staan? Ik zou het niet weten.''