Uitnodigingen om beter te kijken

H.W. van Os presenteert alweer vier seizoenen het televisieprogramma Beeldenstorm. Elk jaar verschijnt een bewerking van de onderwerpen uit het afgelopen seizoen in boekvorm. In deze bundeltjes toont Van Os zich een aanstekelijk verteller die met een olijk soort eruditie over de meest uiteenlopende kunstvoorwerpen schrijft.

Van Os (voormalig directeur van het Rijksmuseum en thans hoogleraar Kunst en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam) hanteert daarbij een vast stramien. In zijn openingsalinea prikkelt hij de nieuwsgierigheid van de lezer. Hij vertelt wat hem nu toch overkomen is tijdens een diner in de herensociëteit, wat hij gezien heeft in de etalage van een feestwinkel, of wat hem laatst opviel in een stripboek van Suske en Wiske. Vervolgens slaat hij een bruggetje naar het te behandelen kunstwerk om van daaruit weer nieuwe verrassende verbanden te leggen. Zo wordt een vijftiende-eeuws schilderij van een Madonna met kind door Jean Fouquet voorafgegaan door een korte verhandeling over de recente restyling van barbiepoppen.

Een trucje? Dan is het in ieder geval een trucje dat wérkt. De manier waarop Van Os door de kunstgeschiedenis raast, voortdurend heen en weer schakelend tussen verschillende eeuwen, continenten en kunstdisciplines, en passant strooiend met feiten, anekdotes en wetenswaardigheden, is in ieder geval nooit saai of obligaat.

In vergelijking met de vorige delen treedt de auteur in Beeldenstorm 4 zelf wat nadrukkelijker op de voorgrond. Het hoofdstukje `Het koesteren van onbezielde dingen' begint met een foto waarop Van Os een teddybeer vasthoudt. Via de liefde voor `knuffels', stapt hij over naar middeleeuwse wiegjes die nonnen gebruikten bij het vertroetelen van Christuskindjes.

Zo nu en dan doet Van Os een beetje denken aan een leraar op leeftijd die krampachtig probeert zich het hippe taalgebruik van zijn leerlingen aan te meten. Christus verschijnt in een voorstelling van het Laatste Oordeel `swingend van daadkracht'. En een opklapbaar reisaltaar wordt omschreven als een `religieuze airbag'.

Tegenover het wat al te nadrukkelijk populariserende taalgebruik staan veel puntige en rake observaties. In het hoofdstukje over de stemmige interieurstukken van de Vlaming Henri de Braekeleer (die zich sterk door het werk van Vermeer heeft laten beïnvloeden) schrijft hij: `het licht vat alles samen'. En over Jan Sluijters: `Joyeus schilderen was de essentie van zijn artistieke bestaan'. Dat hoofdstukje karakteriseert Sluijters in al zijn bondigheid beter dan veel andere wijdlopige teksten die aan de schilder gewijd zijn.

Prikkelend is ook wat Van Os te berde brengt over de dramatische historieschilderkunst die in de 19de eeuw populair was in Frankrijk en België, maar goeddeels aan Nederland voorbij is gegaan. Van Os betreurt het dat er zo weinig van dergelijke theatrale schilderijen in Nederlandse openbare collecties te vinden zijn. Ook verzet hij zich af en toe op verontschuldigende toon tegen heersende opvattingen in de museumwereld. Hij heeft weliswaar geleerd dat musea waarin interieur en collectie een samenraapsel van verschillende stijlen vormen, onverantwoord zijn ingericht, maar ondertussen vindt hij het `een puur genot' er in rond te lopen. Van Os pretendeert niet objectief te zijn. De landschappen van Corot hebben te lijden onder `obligate grauwe wattigheid' terwijl Lovis Corinth een `verrukkelijke' schilder is. Die persoonlijke voor- en afkeuren dragen bij aan de charme van de boekjes. Beeldenstorm is een verademing in vergelijking tot de plichtmatige en dorre teksten in veel tentoonstellingscatalogi. Van Os kiest voor een benadering waarbij kunstwerken worden opgevat als een uitnodiging tot kijken, fantaseren en associëren. Het grootste compliment is misschien wel dat zijn teksten voortdurend getuigen van het plezier dat aan kunst te beleven valt.

H.W. van Os: Beeldenstorm 4. Close-up van kunst uit musea. Amsterdam University Press, 170 blz. ƒ34,50