Straf voor de spaanse burger

Voor het politieke leven was Benito Pérez Galdós te verlegen, dus stelde hij zich ten doel in romans zijn landgenoten hun lot uiteen te zetten. Zijn imponerende `Fortunata en Jacinta', een van de belangrijkste Spaanse romans uit de negentiende eeuw, is nu vertaald.

Hoe sexy is het uitslobberen van een ei? Van de weeë geur van struif en de stroperige substantie die aan de vingers plakt, lijkt niet veel verleidingskracht uit te gaan. Het eten van rauwe eieren heeft iets vulgairs, dat alleen bij wielrenners ternauwernood door de beugel kan. Daarbij iets van waardigheid en bekoorlijkheid te bewaren is zo goed als onmogelijk.

Niettemin schrok de productiefste en misschien ook wel de grootste van alle negentiende-eeuwse Spaanse schrijvers, Benito Pérez Galdós (1843-1920), er in zijn roman Fortunata en Jacinta niet voor terug de erotische passie ten tonele te voeren onder het teken van een uitgezogen ei. Dat was in 1887 en Freud moest zijn psychoanalyse nog helemaal bedenken. Het heeft honderd jaar moeten duren voordat er van deze roman een Nederlandse vertaling verscheen, hoewel het gaat om een van de belangrijkste boeken uit de negentiende-eeuwse Spaanse literatuur, even imponerend door zijn omvang van meer dan duizend bladzijden als door de veelkleurigheid waarmee het Madrileense leven in de jaren 1870 opgeroepen wordt.

In Nederland is Pérez Galdós tot nu toe vrijwel onbekend. In 1974 maakte Robert Lemm een mooie vertaling van zijn roman Tristana, die al eerder door Buñuel was verfilmd. Vijf jaar later volgde een vertaling van Miau, waarin de trieste ambtenaar Villaamil vruchteloos op zoek is naar een aanstelling van twee maanden, om zijn pensioengerechtigde termijn vol te maken. Die magere ontvangst wordt in één keer goedgemaakt door de ambitieuze reeks vertalingen van het werk van Pérez Galdós die de uitgeverij Menken Kasander & Wigman heeft aangekondigd. Zeven delen moet de serie gaan omvatten, waaronder nieuwe uitgaven van de eerder vertaalde boeken. Anderhalf jaar geleden maakte dit project een wat ongelukkige start met de vertaling van de korte roman Marianela, die niet erg representatief is voor het werk van Pérez Galdós. Met de uitgave van Fortunata en Jacinta, dat door Adri Boon sprankelend vertaald werd, heeft Pérez Galdós in Nederland eindelijk de plaats gekregen die hij verdient.

De eierscène speelt zich af aan het begin van het boek, in het trappenhuis van een van de oude panden rond Plaza Mayor, het monumentale plein in het hart van het oude Madrid. De jonge, rijke Juan de Santa Cruz ziet er een Madrileens volksmeisje staan met een halfopgegeten rauw kippenei in de hand. `Ik begrijp niet hoe u die kledder kunt eten,' zegt hij. `Rauw zijn eieren het lekkerst,' zegt zij. `Wilt U proeven?' Het geleiachtige slijm druipt van de vingers van het meisje en – zo vervolgt Pérez Galdós – Juan komt even in de verleiding het aanbod aan te nemen. Maar nee, hij gruwt van rauwe eieren.

Misschien was Pérez Galdós zich niet helemaal bewust van wat hij deed, toen hij de seksualiteit zo cru, met een bijna pornografische directheid, symboliseerde. In de rest van zijn roman is hij opvallend kuis in zijn beschrijvingen en suggesties, zeker in vergelijking met wat de Franse naturalistische romanciers zich in diezelfde tijd toestonden. Maar voor de broeierige sluipwegen van de begeerte en vooral van de hoop had hij een fijn gevoel. De eierverleiding waaraan Juan de Santa Cruz weerstand biedt wordt op hetzelfde moment overtroffen door de fysieke verleidelijkheid van de meisjesgestalte. En zij zal, van haar kant, niet meer loskomen van haar obsessie voor hem, die haar eerst in het ongeluk en tenslotte in de dood zal storten.

Fortunata, het eiermeisje, is de ene helft van het tweeluik waaromheen Pérez Galdós zijn roman geweven heeft. Jacinta, de andere, is de wettige echtgenote van Santa Cruz: een vrouw van zijn eigen stand, even verfijnd als Fortunata ordinair is, maar zonder de vruchtbaarheid van de laatste. Beide vrouwen worden gedreven door hoop: Fortunata op een fatsoelijk bestaan en Jacinta op een kind. Dat maakt hen tot rivalen, gedreven door wederzijdse afgunst, die een enkele maal doorbroken wordt door het inzicht dat ze elk op hun eigen manier in hetzelfde schuitje zitten. Bedrogen door Juan, wiens gewiekstheid met zijn immoraliteit om voorrang strijdt, cirkelen zij rond diens karakterloze figuur als rond een mathematisch middelpunt dat hen bijeen houdt.

Ook Fortunata vindt een echtgenoot en haar huwelijk wordteven ongelukkig als dat van haar rivale. De jonge apotheker Maximiliano, door wie zij zich uit wanhoop het hof laat maken, is niet alleen aartslelijk maar lijdt ook aan waandenkbeelden die hem tenslotte in het gekkenhuis zullen brengen. Zijn tante doña Lupe, bij wie hij onder de plak zit, is een haaibaai die als woekeraarster de ergste bekrompenheden van de kleinburgerij belichaamt. Voor Juan vergooit Fortunata haar pasverworven respectabiliteit en uiteindelijk zal zij, teruggevallen in haar oude behoeftigheid, zijn kind baren, dat ze – als een Madrileense Madame Butterfly – vlak voor haar dood afstaat aan Jacinta.

Pérez Galdós getroost zich grote moeite om de gemoedsbewegingen van de beide vrouwen nauwkeurig uit te tekenen. Beiden zijn levensechte figuren vol contradicties en vooral Fortunata, die de meeste aandacht krijgt, groeit uit tot een tragische gestalte, zonder dat Pérez Galdós daarvoor hoeft te psychologiseren. Hij beschrijft wat er te zien is en wat zijn personages denken en voelen, maar zijn stijl blijft zakelijk en houdt zich verre van suggestie. Dat is één van de belangrijkste verschillen tussen Fortunata en Jacinta en de drie jaar eerder verschenen roman La regenta van Leopoldo Alas (`Clarín'), die geldt als het andere hoogtepunt van het Spaanse naturalisme.

Hoewel ze vaak in een adem worden genoemd, zijn beide boeken heel verschillend. Pérez Galdós observeert en Clarín construeert. Terwijl de eerste verslag doet van wat hij ziet, boort de tweede in de diepte. Clarín schreef zoals Flaubert, Pérez Galdós zoals Balzac, en die overeenkomst gold ook voor de omvang van hun oeuvres. Clarín schreef een handvol romans en bleef bekend als de schrijver van La regenta. Pérez Galdós schreef zevenenzestig romans, waarvan ruim een dozijn titels voortleeft in het collectieve geheugen, en daarnaast meer dan twintig toneelstukken, memoires, enzovoort.

Pérez Galdós had dan ook een ander oogmerk dan Clarín. Hem was het niet alleereerst om het innerlijk leven van zijn personages te doen: hij probeerde in zijn romans de hele Spaanse samenleving en een groot deel van de recente historie te omvatten. Zijn romans vormen een nationaal project, met de vooruitgang en verbetering van de samenleving als inzet.

Want Spanje verkeerde in een treurige toestand, zo ontdekte hij, toen hij als journalist en parlementair verslaggever zijn brood probeerde te vedienen. Het land lag diep verzonken in behoudzucht, bigotterie en onverdraagzaamheid. De aanzetten tot een meer liberale maatschappij, die tijdens de Franse tijd de toekomst leken te hebben open gelegd, werden met de troonsbestijging van de autoritaire Fernando VII in 1814 de bodem ingeslagen en onder zijn opvolgster Isabel II namen de intellectuele dorheid en het benepen conformisme alleen maar toe. De `Glorieuze Omwenteling' die haar in 1868 tot aftreden dwong, leek het tij te keren, maar de uit Italië opgetrommelde koning Amadeo hield het, na het uitbreken van de zoveelste burgeroorlog, in 1873 alweer voor gezien. Twee jaar later volgde Isabels zoon Alfonso hem op en zette een tweede, langdurige restauratie in.

In de romans van Pérez Galdós draait het vrijwel altijd om die strijd tussen onverdraagzaam conservatisme en liberale openheid, die in Spanje in de jaren dertig van de twintigste eeuw opnieuw zou opleven en die pas na de dood van Franco definitief in het voordeel van de laatste werd beslist. De Spaanse geschiedenis is één grote afwisseling van liberale revoluties en conservatieve burgeroorlogen, zo laat hij in zijn roman iemand opmerken. Aan welke kant Pérez Galdós zelf stond, kon voor niemand een geheim zijn. Hij was een politieke moralist en zijn opvattingen werden tijdens zijn leven alleen maar radicaler. Dat mag opmerkelijk heten voor de zoon van een gerechtsdienaar van de inquisitie en van een een onwrikbaar katholieke moeder. Maar wanneer hij van de Canarische Eilanden, waar hij in 1843 het levenslicht zag, naar Madrid wordt gestuurd om rechten te studeren, en vervolgens naar Parijs om hem weg te houden van een (in de ogen van zijn familie) ongewenste geliefde, wordt zijn liberale visie geboren. Tegelijk ontdekt bij Balzac – en Dickens, wiens Pickwick Papers hij in het Spaans vertaalt.

Wanneer in 1873 de restauratie inzet, begint Pérez Galdós een groots romanproject waarmee hij de hele negentiende-eeuwse Spaanse geschiedenis in kaart wilde brengen om te laten zien hoe het land zijn eigen treurige lot over zichzelf heeft afgeroepen. Zes jaar later heeft hij al twintig van deze Nationale Episoden geschreven en het zullen er uiteindelijk zesenveertig worden. Daarbij bleef het niet, want uiteindelijk was het Pérez Galdós om het heden te doen. Na een aantal nogal schematische romans, waarin verlichte geesten steevast verloren lopen op de het ingekankerde fanatisme van de Spaanse samenleving, vond hij in het begin van de jaren tachtig zijn vorm. In 1881 verschijnt de eerste van zijn Contemporaine romans, waarin zijn maatschappijkritiek er minder dik bovenop ligt en zijn figuren driedimensionaler worden. Fortunata en Jacinta vormt daarvan het onbetwiste hoogtepunt, waarin de hele Pérez Galdós samenkomt.

Dat verklaart niet alleen de dikte van het boek. Ook de armslag die Pérez Galdós erin schept is groter dan in welke andere roman ook. Hij zwerft erin uit naar alle uithoeken van de Madrid, van het oudste centrum tot de nieuwbouw die door de groeiende bevolking nodig geworden was, en vandaar naar de rest van Spanje, naar alle plaatsen waar het lot van het land zich voltrokken had. De roman beweegt zich in de meest uiteenlopende milieus, van de textielhandel tot aan de politieke discussies in de koffiehuizen en de ongeregelde, half clandestiene manieren waarmee het volk zichzelf in het bestaan probeerde te houden. Tientallen hoofd- en honderden bijfiguren, wier geschiedenissen Pérez Galdós soms in andere Contemporaine romans weer opneemt, geven de Madrileense gestalte. En voortdurend speelt de politieke actualiteit van de vroege jaren zeventig, waarin het verhaal zich afspeelt, door de gebeurtenissen heen.

Anders dan in het Franse naturalisme speelt de humor daarbij een flinke rol. Pérez Galdós was niet erg gecharmeerd van de Franse literaire mode, die hij nogal azijnpisserig vond. In zijn inleiding bij Claríns La regenta schreef hij dat het Spaanse realisme vooral een komische oorsprong had, en hij kon daarbij wijzen op de oude traditie van schelmenromans als Lazarillo van Tormes. Zelf was hij in zijn schildering van de Madrileense onderkant niet wars van het opvoeren van pikareske figuren, zoals de branie José Izquierdo, die met zijn karakteristieke kop een bloeiende carrière als schildersmodel begint, zijn gezicht lenend voor alles tussen de Goede Moordenaar en Napoleon Bonaparte.

Maar het is vooral de burgerij, met haar hebzucht, opportunisme en baantjesjagerij, die er bij Pérez Galdós van langs krijgt. Dat is de stand die politieke machtswisselingen vooral nuttig vindt omdat ze goed is voor de kledinghandel (waarin de familie Santa Cruz rijk geworden was). Elke machtswisseling betekent andere ambtenaren, die zich allemaal in het nieuw moeten steken; een stabiele regering is in haar ogen dan ook niets anders dan een opzettelijke pesterij van het vrije ondernemerschap.

Pérez Galdós maakt er geen geheim van dat hij de levenskracht en het gezond verstand dat het land redden kan van het volk verwacht, al is hij realist genoeg om dat niet te idealiseren. `Het volk bezit de grote, massieve waarheden, waarop de beschaving een beroep doet wanneer de kleine waarheden waarvan zij leeft, uitgeput raken,' schrijft hij. Meer dan aan een Alleingang van de populaire standen denkt hij daarbij aan een klassenvermenging, die – zo stelt hij optimistisch vast – in Spanje wel degelijk plaatsvindt.

In die promiscuïteit tussen de standen ontwaart Pérez Galdós de ware Spaanse democratie, waarin `ons land voor ligt op de andere.' Daardoor wordt zelfs de priviate vice van baantjesjagerij een public virtue, want de geschoolde plebejer en de verarmde edelman komen zo aan hetzelfde bureau te zitten. `Ongemerkt zijn door bureaucratie, de armoede en de academische opvoeding die elke Spanjaard krijgt alle lagen van de bevolking zozeer met elkaar verstrengeld geraakt dat er een stevig nationaal bindweefsel is ontstaan,' zo filosofeert hij optimistisch in Fortunata en Jacinta.

Die roman gaat dus over veel meer dan de private sores van de twee ongelukkige echtgenotes uit de titel en tegen die brede achtergrond krijgt ook het eierincident pas zijn echte betekenis. De verfijnde burger Juan stoot op de levenskrachtige Fortunata en uit die rauwe ontmoeting komt (tot tweemaal toe) een kind, de toekomst, voort. Maar, zo vraagt vertaler Adri Boon zich in zijn nawoord af, is daarmee wel zoveel gewonnen? Fortunata heeft het op alle fronten moeten afleggen tegen een bourgeoisie die haar zelfs haar kind afneemt, en waarbinnen de relaties (tussen Juan en Jacinta) onherstelbaar zijn verstoord. In de laatste romans van Pérez Galdós krijgt de twijfel over een maatschappelijke oplossing van de Spaanse malaise dan ook de overhand. Het heil zoekt hij tenslotte bij de christelijke waarden, in romans als Misericordia en vooral Nazarín: het verhaal van de christusachtige priester dat later, net als Tristana, met een fikse dosis ironie, door Luís Buñuel verfilmd zou worden.

Toch zat die tweeslachtigheid jegens de vooruitgang er al vroeg bij Pérez Galdós in. In de al eerder vertaalde roman Marianela uit 1878 geeft hij er al lucht aan, al is het boek binnen zijn oeuvre in veel opzichten een vreemde eend in de bijt: niet alleen omdat het verhaal zich buiten Madrid afspeelt, maar vooral omdat het enigszins zoetelijke idealisme erin nogal romantisch contrasteert met de laconieke nuchterheid van zijn Contemporaine romans. Toch schuilt er in dit verhaal van een blinde jongen die dankzij de medische vooruitgang het gezichtsvermogen terugkrijgt een onderhuidse bitterheid. Het misvormde meisje Marianela, dat hem altijd verzorgd heeft, zal haar lelijkheid nu niet langer voor hem kunnen verbergen en daaraan gaat zij ten onder. Het goede dat de wetenschap brengt in een verlichte maatschappij schept ongewild zijn eigen kwaad. Dat dilemma mondde bij Pérez Galdós tenslotte uit in een terugkeer naar het bovenmaanse.

In Spanje is hij altijd een nationale figuur gebleven, eminent leesbaar voor alle lagen van de bevolking en zinderend van strijdbaarheid. Dat bracht hem zelfs tot tweemaal toe in het parlement, waar hij – vanaf zijn jeugd behept met een bijna ziekelijke verlegenheid – nauwelijks het woord durfde te voeren. Zijn begrafenis in 1920 was vergelijkbaar met die van Victor Hugo. Pérez Galdós was de eerste Spaanse schrijver die rijkelijk van zijn boeken leven kon. Toch moest hij meermalen van faillissement worden gered. De zwakte van deze levenslange vrijgezel waren de vrouwen, die hij in groten getale mainteneerde. Eén van zijn minnaressen, zo wil de overlevering, stond bij hun eerste ontmoeting een rauw ei te eten.

Benito Pérez Galdós: Fortunata en Jacinta. Vertaling en nawoord: Adri Boon. Menken Kasander & Wigman, 663 en 599 blz. ƒ115,-

Benito Pérez Galdós: Marianela. Vertaling Elly Bovée; nawoord van Manuel Vázquez Montalbán. Menken Kasander & Wigman, 224 blz. ƒ39,50