Selectiviteit komt kwaliteit van de kunsten ten goede

Het ruimhartige cultuurbeleid heeft bijgedragen aan het hoge niveau van de Nederlandse cultuur. Maar teveel ruimhartigheid, waarvan de Cultuurnota blijk geeft, kan een bloeiend cultureel leven in de weg staan, omdat het publiek door de bomen het bos niet meer ziet, meent Atzo Nicolaï.

Holland op z'n smalst' heette het artikel van Victor de Stuers uit 1873 dat wel wordt gezien als het begin van het Nederlandse cultuurbeleid. Het hekelde het feit dat de overheid maar een klein deel van de cultuur tot haar zorg rekende en het meeste verwaarloosde.

Met de zojuist uitgebrachte Cultuurnota 2001-2004 ontstaat bijna het tegenovergestelde probleem. Volgens staatssecretaris Van der Ploeg moet de overheid zich niet alleen ontfermen over de delen van de cultuur die zich niet kunnen bedruipen, maar ook over ontwikkelingen die zich vrij en zonder steun van de overheid in de samenleving voordoen. Van der Ploeg, die bij zijn aantreden riep dat het zo raar was dat de Stones geen subsidie kregen, lijkt helaas meer consistentie in zijn visie te hebben dan werd gedacht. Volgens de Cultuurnota krijgen ook activiteiten rond danceparty's een vierjarige subsidie. Op advies van de Raad voor Cultuur trouwens, die zijn visie blijkbaar deelt.

De overheidsbemoeienis wordt alleen niet verbreed, maar ook versnipperd. Nederland telde per inwoner waarschijnlijk al de meeste rijksgesubsidieerde kunstenaars ter wereld, nu de staatssecretaris het advies van de Raad voor Cultuur vrijwel geheel blijkt over te nemen, krijgen we vermoedelijk ook de meeste rijksgesubsidieerde culturele instellingen. Het worden er ongeveer 430 – bijna anderhalf keer zoveel als nu.

Het Nederlandse cultuurbudget is internationaal gezien echter niet hoog. Dus krijgt iedereen hier relatief weinig. Zo leidt de ruimhartigheid van het Nederlandse cultuurbeleid tot krenterigheid. Daarbij wordt in feite misbruik gemaakt van de gedrevenheid in deze sector. Door hun bevlogenheid zullen kunstenaars zich niet snel door een te laag salaris laten weerhouden om mooie dingen te doen.

In het regeerakkoord is een verhoging van het cultuurbudget afgesproken van bijna 10 procent. Maar de instellingen krijgen straks gemiddeld minder armslag, in plaats van meer. Terwijl een instelling alleen al om dezelfde kwaliteit te kunnen blijven leveren meestal meer geld nodig heeft vanwege hogere werkgeverslasten en toenemende kosten, ook internationaal. De Nederlandse Opera kan internationale topsolisten al nauwelijks meer betalen.

De staatssecretaris heeft echter ijverig bevorderd dat zo veel mogelijk aanvragers zich zouden melden; hoe onbekender en jonger hoe beter. En met succes. Er kwamen meer dan anderhalf keer zo veel vierjarige subsidieaanvragen als in de vorige ronde (ruim 750). In de Cultuurnota blijkt dat Van der Ploeg op grond van het raadsadvies ongeveer 40 subsidies stopt en ongeveer 170 nieuwkomers honoreert. Hij is trots op de grote doorstroom. In zijn adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur had hij al aangegeven dat nieuwkomers een streepje voor zouden moeten krijgen. Dat was werkelijk de wereld op zijn kop.

Er zijn in Nederland veel subsidiemogelijkheden, juist voor nieuwe initiatieven: gemeenten en provincies besteden samen meer aan cultuur dan het rijk, particuliere fondsmogelijkheden en sponsoring nemen toe en een vijfde van het cultuurnotabudget gaat naar fondsen. Die zijn er speciaal voor om met een eenjarige subsidie of projectsubsidie snel te kunnen inspelen op ontwikkelingen en nieuwe initiatieven een kans te geven. Daarom zouden alleen instellingen die zich hebben bewezen wat betreft hun kwaliteit, continuïteit en nationale betekenis in aanmerking moeten kunnen komen voor een vierjarige cultuurnota-subsidie. De rest kan bij de fondsen terecht. Voor een cultuurnota-subsidie dient er namelijk zoveel vertrouwen te zijn dat een instelling in principe vier jaar ongestoord mag functioneren. Zo'n besluit moet niet zozeer gebaseerd zijn op de plannen, maar vooral op de geleverde prestaties; niet op papier, maar op de praktijk.

De Tweede Kamer heeft dit nog proberen te corrigeren, maar de Raad voor Cultuur lijkt zich daarvan niet veel te hebben aangetrokken. Er zijn – door de staatssecretaris opgevolgde – adviezen waarin de Raad zelf erkent twijfel te hebben over de kwaliteit, maar de plannen zo veelbelovend zegt te vinden dat vierjarige subsidie gegeven moet worden, zelfs in gevallen waar eenjarige subsidie door een fonds werd afgewezen. Een aantal gerenommeerde instellingen, gezelschappen en orkesten moet nu plaatsmaken voor initiatieven die bij de fondsen thuishoren. Dat is ongelukkig. Bovendien krijgen die nieuwkomers ook vaak veel te weinig geld om goed te kunnen functioneren. Zij zullen weer projectsubsidies moeten aanvragen bij de fondsen, die niet bedoeld zijn voor subsidie aan al meerjarig gesubsidieerde instellingen. Een aantal ensembles krijgt zelfs maar enkele tienduizenden guldens. Dan is er helemaal sprake van verkeerde rijksbemoeienis. Dergelijke gevallen zouden via de fondsen moeten lopen, die dan wel meer mogelijkheden moeten krijgen om ook meerjarig te financieren.

Vernieuwing en doorstroming kunnen en moeten ook plaatsvinden bij de bestaande grote instellingen. Die moeten dus niet worden gekortwiekt, maar meer ruimte krijgen, voor een tweede jonge-dansersgezelschap, masterclasses, kleine-zaalvoorstellingen of wat dan ook.

Wanneer op deze manier wordt doorgegaan loopt de cultuurnota-systematiek volstrekt vast. De Raad voor Cultuur zegt het nu al nauwelijks te hebben kunnen verwerken. En als gevolg van zijn advies moeten in ieder geval al anderhalf keer zoveel gesubsidieerde instellingen door de Raad gevolgd gaan worden. De stapel aanvragen die tussen ministerie en Raad heen en weer wordt gereden is nu al bijna tien meter hoog en het advies meer dan duizend pagina's lang. Als de factor anderhalf zich doorzet, verzandt de systematiek in bureaucratie. En dat is jammer, want de kerngedachte is nog steeds mooi en wordt door het buitenland met jaloezie bekeken: een vierjaarlijkse integrale heroverweging van het beleid van het rijk, van de fondsen en van de `rijksinstellingen', waarbij nieuwkomers de kans krijgen `rijksinstelling' te worden.

De beste remedie is een aanzienlijke beperking van waar de rijksoverheid zich via vierjarige subsidiëring direct mee bemoeit: alleen (grotere) instellingen met voldoende kwaliteit, continuïteit en nationale betekenis. De rest loopt dan via andere instanties, die sneller en minder bureaucratisch werken, met name de fondsen, die voor wat betreft hun beleid en criteria wèl, maar voor wat betreft de afzonderlijke beslissingen niet onder directe politieke verantwoordelijkheid vallen.

De Nederlandse cultuur is internationaal gezien opvallend bloeiend, divers en van hoog niveau. Het ruimhartige cultuurbeleid heeft daar zeker aan bijgedragen. Maar nog verdere versnippering leidt eerder tot meer van hetzelfde dan tot grotere diversiteit. Tot een minder bloeiend cultureel leven, omdat het publiek door de bomen het bos niet meer ziet en er per instelling gemiddeld minder publiek is om de noodzakelijke wisselwerking mee aan te gaan. Onvoldoende selectiviteit leidt tot minder mogelijkheden om de hoge kwaliteit van de kunstbeoefening verder te ontwikkelen.

Zo dreigt de mooie verbreding die is opgetreden sinds De Stuers' artikel te leiden tot verwatering: Holland op z'n breedst.

Mr. drs. Atzo Nicolaï is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.