Netjunks geobsedeerd door het web

Vijf tot tien procent van de Nederlandse internetgebruikers heeft een obsessie, blijkt uit onderzoek.

Ze was er beroerd aan toe, de 40-jarige vrouw die bij Mieke Zinn langskwam. Zinn is therapeute in het Haagse psycho-medisch centrum Parnassia en hoorde hoe deze patiënte haar werk kwijt raakte, haar man verloor en de rest van haar leven zag wegglijden. ,,Help mij te stoppen met alcohol'', vroeg de vrouw haar, maar Zinn had al snel door dat hier meer aan de hand was: de patiënte had niet alleen een te grote voorliefde voor drank, maar ze probeerde haar gevoelens van eenzaamheid ook nog op een andere manier te onderdrukken: de patiënte was verslaafd aan internet.

Ze is niet de enige. Tussen vijf en tien procent van de personen die thuis over internet beschikken, gaat daar obsessief mee om. Dat blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen & Verslaving (IVO) en het bureau voor Onderzoek en Statistiek (O+S) onder 1500 Amsterdammers in februari, april en juni van dit jaar. Deze obsessieve internetters hebben, vaak naast een andere verslaving, internet nodig om problemen te ontvluchten en gevoelens te verlichten, zij raffelen hun werk af en raken in een sociaal isolement.

Een kwart van de internetgebruikers zegt, eenmaal begonnen, moeilijk de computer uit te kunnen zetten. Bij vijf tot elf procent van de internetters klagen ouders, partners of kinderen over het gebruik. Onthoudingsverschijnselen – rusteloos, geïrriteerd en depressief worden wanneer de geobsedeerde gebruiker niet kan internetten – komt bij vijf tot acht procent voor.

Onderzoekster Regina van den Eijnden ziet dat de problemen zich nog maar net beginnen te ontwikkelen. ,,Er is nu al een groep waarvan ik zeg: daar is iets mee aan de hand.'' In het onderzoek is niet de groep gebruikers meegenomen die internetten op het werk, en de geïnterviewden is ook niet gevraagd of zij zichzelf verslaafd vinden. Van den Eijnden wilde ,,het probleem nu signaleren''.

Het waarom van het obsessieve gebruik ligt volgens Albert Benschop van de Universiteit van Amsterdam besloten in de manier van communiceren die op internet mogelijk is. ,,Op het net wordt enorm veel geflirt en makkelijk op elkaar gescholden. Web-relaties zijn toch virtueel, repercussies zijn daardoor uitgesloten'', zegt Benschop. Hij denkt dat er maar één manier is om de `netjunkies' en `webaholics' te laten afkicken: via online therapie en in steungroepen met medeverslaafden.

De aan de Universiteit van Pittsburg verbonden Kimberly Young, die ook onder de Nederlandse internetonderzoekers naam heeft gemaakt als cyber-psychologe, heeft dat therapeutische principe inmiddels beproefd. Op haar website Netaddict.com worden vragen beantwoord als `is cyberseks vreemdgaan?' en kunnen mogelijke verslaafden zelf testen hoe erg ze er aan toe zijn. De door van den Eijnden aangehaalde Amerikaanse onderzoeker David Greenfield houdt het aantal verslaafden na een vorig jaar via het web gehouden onderzoek onder 18.000 internetgebruikers in VS op 5,7 procent – zo'n elf miljoen Amerikanen.

In de Verenigde Staten zou Jimmy (20) waarschijnlijk als verslaafd beschouwd worden, in Nederland blijft hij buiten de statistieken want hij heeft thuis geen internet. ,,Op het net heet ik Jimmy_21.'' Bijna elke dag zit Jimmy, hij is koerier, in een Rotterdams internetcafé, hij is een fanatiek gebruiker van internet. Als hij een dag vrij is, zit hij zo'n acht uur achter beeldscherm, als hij moet werken gaat hij meteen na het werk online.

Jimmy's favoriete bezigheid is het tekenen van andermans `gastenboeken', om zo te laten zien dat hij een bezoekje aan een site gebracht heeft. Vaak begint hij pas rond middernacht te chatten. Jimmy: ,,En dan is het ineens 's ochtends vroeg.''