Landloper buiten het zonnestelsel

Begin oktober wordt de eerste Nobelprijs literatuur van de nieuwe eeuw uitgereikt. Niet alle eerdere winnaars zijn bekend gebleven.

Het CS haalt zes schrijvers uit het vergeetboek. Vandaag in de vijfde aflevering: Harry Martinson

Landloper. Wat een machtig woord is dat, landloper. Het lijkt misschien of hij hetzelfde doet, maar de landloper verschilt radicaal van de zwerver. Dankzij de Zweedse schrijver Harry Martinson, Nobelprijswinnaar in 1974, overleden in 1978 , ben ik daar nu van doordrongen, net als ik me realiseer dat het woord `landloper' zijn langste tijd heeft gehad. Martinson is zelf landloper geweest. Zijn stijl is die van een landloper: zoekend, tastend, bescheiden, precies, komiek soms. Maar dring verder door en er ontvouwt zich een wereld van kalm kijken, kalm in zich opnemen, en, met alle ruimte voor curieuze en grappige details, rustigjes beschouwen en oordelen. Over korhoenders en dennenbomen en vliegenzwermen, over boeren en vrouwen. Over de werkelijkheid die zich zo overtuigend vermomt als het noodlot dat ze samenvallen. Over de hel waarvoor het model ontleend is aan het leven op aarde. En dat steeds met speelse, ijle woorden.

Een zwerver is een trieste figuur die de wereld maar wat met zich laat sollen; een landloper niet. Die leidt een even zwaar bestaan als de zwerver, maar dat bestaan is zijn vak. Een moeilijk vak, een vak waar je aan ten onder gaat. Een vak dat zo goed als uitgestorven is in de moderne westerse wereld en alleen al daarom is De weg naar Klockrike (Vägan till Klockrike, 1948) van Harry Martinson zo'n juweel: het boek beschrijft monter en ernstig leven en werken van de landloper. Zijn geschiedenis, zijn opkomst, zijn ondergang.

In een droge paragraaf duidt Harry Martinson aan hoe tussen 1850 en 1913 in Zweden de aantallen beroepslandlopers navenant explosief stegen met de hoeveelheden emigranten en zelfmoorden van volwassen mannen. De intrede van machinale produktie maakte de arbeidsplaatsen schaars, de werkgevers wreed. En de mensen roekeloos ten opzichte van de aarde, maar dat is een thema dat Martinson pas later zou omhelzen.

Martinson schrijft zoals Vivaldi componeert. Schijnbaar losjes en steeds poëtisch en gemakkelijk te volgen omspint hij zijn thema. Maar wie zijn hoofd er niet bij houdt, loopt een hoop moois mis, want zijn formuleringen zijn nooit toevallig, en hij laat van alles zien, in het klein maar trefzeker en op onverwachte plaatsen en ogenblikken.

Sigarenmaker

De weg naar Klockrike is geen lineaire roman en ongeschikt voor de haastige lezer. Het verhaal van de landloper Bolle waaiert onbekommerd uit, staat ten dienste van gedachten over het wezen van het getal of de macht van een gebakken ei. Of het gaat op in een afzonderlijke novelles. Soms verdwijnt Bolle zelfs een tijdje ten gunste van de verhalen van collega's van hem en hun beschouwingen.

Bolle leren we kennen als sigarenmaker. Een mooi beroep dat Martinson met zoveel smaak beschrijft (alleen al de passages over de schoonheid van de sigarenbandjes!!) dat je bijna sigaren zou gaan roken, maar dat beroep verdwijnt. Bolle wordt opgelicht en blijft berooid achter. Geen geld en een achterhaald beroep. Zelfmoord? Nee. Daarvoor heeft hij teveel gedachten in zijn hoofd, ideeën in zijn ziel. Bolle wordt landloper. Uit overtuiging.

Met hem gaan we op pad. De boerderijen langs, waar de superieure machtswellustelingen wonen, vrekken, uitbuiters, de vrome kerkeleden, de sadisten die een landloper graag bont en blauw slaan. Zomaar. De paden op, waar de natuur ons met stomheid slaat, de seizoenen ons een lesje leren en ons op even luchthartige als diepzinnige gedachten brengen. De lanen in, waar we leren wat angst is als we een vrouw tegen komen en waar de `moord uit vrees' dreigt: `moorden die niets anders waren dan een terugdeinzen voor de razende vrees van degeen, die vermoord werd.' We spreken niet veel, onze houding is nederig. Soms hebben we pech en belanden we in een kamp voor dwangarbeiders.

`Ik ben een onrustig en verwaarloosd mens. Ik kan me niet tevreden stellen met rustig te zijn. (...) Ik wil niet datgene als werkelijkheid erkennen, wat de meesten willen.' Dit is het credo van de zwerver volgens Bolle, maar is het ook niet het credo van de schrijver? Wie het werk van Harry Martinson leest, weet dat het in elk geval voor hem en zijn romans opgaat.

Niet alleen als prozaschrijver creëert deze onrustige mens serieus een parallelle wereld. Als dichter baseerde hij zijn grootste werk op dezelfde grondvesten: de 103 gedichten grote, epische vertelling Aniara verhaalt ook van doelloos reizen dat zin in zichzelf vindt, nu niet in het Zweden van de eerste dertig jaar van de vorige eeuw, maar in een onbepaalde toekomst, `na de dertigste wereldoorlog'. Op aarde heeft de technologie de natuur onmogelijk gemaakt en de mensen moeten vluchten, naar andere planeten.

Martinson schreef Aniara in 1956, duidelijk beïnvloed door de Koude Oorlog en de catastrofe die de Russische waterstofbom beloofde. Is die sfeer aanwezig in dit epische `science fiction gedicht,' hij overheerst niet. Aniara doet dan ook niet achterhaald aan, de angst en ellende is reëel, het onverwoestbare geloof van de een tegenover de even onverwoestbare wanhoop van anderen. Martinson beleeft veel lol in het weergeven van technische details met zelfverzonnen woorden die niet zouden misstaan in afleveringen van Star Trek.

In vrije verzen die behalve mooi zo sterk zijn dat de lezer steeds maar door wil, roept hij een onafwendbaar stervend gezelschap op. Het is een existentieel benard werk, maar heeft hupse kanten waarin hij zich een meesterlijk schrijver betoont. De vrije verzen worden afgewisseld met rijmende stanza's die liedjes zijn: klaagliederen, ballades, maar ook een song die meer weg heeft van de melancholiek verleidelijke jazz van Billie Holiday (`Libidels lied bij de spiegel', gedicht nummer 42).

Ruimtegondel

Het ruimteschip op weg naar Mars met 8000 voor straling vluchtende emigranten aan boord, raakt van koers en belandt buiten ons zonnestelsel. Het is gedoemd te blijven reizen, in een zwarte ruimte waar het woord leegte verpletterend werkelijk wordt. Landlopers zijn ruimtelopers, nu. De technicus, de ik-figuur die de denkende robot bedient die de `ruimtegondel' beschermt en leidt, heeft veel weg van een dichter: hij geeft de massa moed op met vergezochte beelden die geen menselijk oog ooit droomde te kunnen zien, bemiddelt met wat zij voor `het hogere `verslijten' en hij voorziet de centrale robot, een vrouwelijke instantie, aanbeden door de emigranten, van gevoel.

De laatste zin van het laatste gedicht spreekt van een Nirvana, dat alle emigranten `doorstroomt'. Het laatste woord van De weg naar Klockrike is `paradijs'. Beide woorden sluiten op volmaakt vanzelfsprekende wijze gedicht en roman af.

Harry Martinson was een groot schrijver.