In het hart des volks

Zondag ontvangt Drs. P de Tollens- prijs, de oudste literaire prijs van Nederland. Weduwes van dichters hebben er van geprofiteerd, en Herman de Man verzweeg de prijs voor de belasting- dienst.

Wat moeten wij Nederlanders onze nationale dichter Gerrit Komrij aanbieden als hij zestig wordt, over enkele jaren? Zou het een goede gedachte zijn om een comité op te richten? Daarin moeten dan dichters, musici, dominees en schilders verenigd zijn. Het zou Komrij toch zeker wel plezieren als er dan een landelijke collecte zou plaatsvinden. Met het opgehaalde geld zou het comité dan een prijs kunnen instellen die Komrij mag uitreiken aan een verdienstelijke mededichter, of aan een weduwe van een dichter naar keuze. Dat zou toch een onvergetelijk verjaardagscadeau zijn!

Dat dachten althans anderhalve eeuw geleden de aanbidders van Hendrik Tollens toen hij zeventig zou worden. Op 26 juli 1850 waren er vier heren bij elkaar in het huis van dominee Bernard ter Haar in Amsterdam. Behalve de dichterdominee waren er de suikerraffinadeur en toneeldichter W.H. Warnsinck, de schilder N. Pieneman en de letterkundige A. van Lee. Zij wilden Tollens huldigen en kwamen op het idee om via plaatselijke commissies een nationale inzameling te houden. Daarvoor was het nodig een netwerk van medewerkers op te zetten, die in alle steden en dorpen zouden gaan werven voor de goede zaak.

Op de bekende negentiende-eeuwse manier werd de hele burgerlijke elite ingeschakeld om via familiebanden, zakelijke betrekkingen of academievriendschappen voldoende landelijke commissies te bevolken. Op 1 september ging er naar honderden landgenoten uit de betere kringen een gedrukte brief de deur uit met een ronkende tekst: `Onder de mannen die Nederland tot blijvende roem verstrekken, kent de natie de plaats der ere toe aan hem, wiens voortbrengselen de krachtigste invloed op de volksgeest uitgeoefend hebben, wiens dichtwerken onvergankelijk zijn, niet slechts omdat de duizenden exemplaren daarvan, met graagte gekocht en gelezen, in de woningen der aanzienlijken en geringen zijn verspreid, maar meer nog omdat zij in den mond en het hart des volks blijven leven.'

Tollens' poëzie bracht de harten aan het kloppen van nationaal gevoel en deed de boezem gloeien voor het vaderland. Tollens verdiende dus een blijvend gedenkteken. De bescheiden dichter zou niet talen naar een standbeeld of een geschenk, maar hij zou zeker geroerd zijn door de instelling van een Tollens-fonds. Hij zou zelf kunnen kiezen uit drie doelen voor de rente. In de eerste plaats zou er een prijs of gratificatie toegekend kunnen worden aan de schrijver van het `bestgekeurde der verschenen werken in proza of poëzie'. Of het fonds zou gebruikt kunnen worden `tot ondersteuning van ongelukkig geworden prozaschrijvers of dichters' of hun weduwen of wezen. Ten slotte noemde de commissie ook nog de mogelijkheid van studiebeurzen voor zonen (dochters worden niet genoemd) van schrijvers.

Op de verjaardag van de dichter, 24 september, ging een delegatie naar hem toe. Er was toen 2899 gulden ingezameld. Daaronder was een bedrag van vijfhonderd gulden van de koningin. Volgens getuigen kreeg de dankbare grijsaard de tranen in de ogen.

Macaber

Daarmee is er een literaire prijs voor verdienste gecreëerd die de oudste in Nederland is. Weliswaar kon men eerder prijzen toegekend krijgen, maar die waren verbonden aan wedstrijden. Zo had Tollens zelf in 1819 de gouden erepenning gewonnen van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije kunsten voor zijn indrukwekkend Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597.

Pas veel later ontstaan de staatsprijzen. Macaber genoeg dateren de eerste uit de Tweede Wereldoorlog, toen er een aantal staatsprijzen tegelijk ingesteld werd voor verschillende literaire genres. De Meesterschapsprijs voor een oeuvre werd in 1941 toegekend aan Jan H. Eekhout. De P.C. Hooft-prijs is de oudste nog bestaande staatsprijs. Hij dateert van 1947. De Prijs der Nederlandse Letteren werd in 1956 voor het eerst toegekend.

Dat er in het midden van de negentiende eeuw het idee van geldelijke ondersteuning voor schrijvers op kon komen, heeft alles te maken met het ontstaan van de beroepsschrijver. In het begin van die eeuw waren de meeste schrijvers onafhankelijk van hun inkomsten uit de schrijverij. Jacob van Lennep was advocaat, Nicolaas Beets dominee, Hendrik Tollens was verffabrikant. Maar in de loop van de eeuw kozen steeds meer schrijvers ervoor te gaan leven van de pen. Multatuli, Busken Huet en vrijwel alle Tachtigers schreven zich blauw voor de dagelijkse kost. Wanneer dat niet meer mogelijk was, konden er gevallen van schrijnende armoede ontstaan, ook al omdat er geen pensioenen waren. Juist op oudere schrijvers die in financiële problemen waren gekomen, ging het Tollens-fonds zich richten.

Volgens de statuten uit 1850 mocht het bestuur pas gaan uitkeren denken als het bedrag gegroeid was tot 20.000 gulden. In 1874 was dat door nieuwe schenkingen en rente zo gegroeid, dat er uitbetaald kon worden. Het bestuur had inmiddels vooral de liefdadige kant van het Tollens-fonds omarmd. `Is armoede altijd een zwaar kruis om te dragen: de armoede drukt dubbel, wanneer de geest ontwikkeld is', schreven zij en daarmee haalden ze van Domela Nieuwenhuis honderd gulden binnen. Dat er gewoon puur om verdienste een geldbedrag toegekend kon worden, was voor de bestuurders van die tijd blijkbaar te frivool. De eersten die profiteerden van een ondersteuning zijn twee weduwen, die van de dichter S.J. van den Bergh en die van de toneelschrijver F.H. Greb. Vanaf dan komen er aangrijpende gevallen voor in de notulen van de bestuurders. Zelfs kleinkinderen van Tollens deden op een gegeven moment een beroep op het fonds. Als de secretaris in 1888 op huisbezoek gaat bij behoeftige letterkundigen schrijft hij in een brief aan zijn medebestuurders: `Wat weet de wereld van oude, arme, vrome, geletterden! En ik ben blij dat ik er zelf maar eens op uitging, want nu weet ik wat ik anders niet zoo zou vernomen hebben, namelijk dat aan ieder dezer drie tobberts, reeds met 25 gulden een weldaad bewezen ware.'

In 1899 werd het liefdadigheidskarakter van het fonds ter discussie gesteld, naar aanleiding van een verzoek om ondersteuning van Lodewijk van Deyssel die in treurige financiële omstandigheden zou verkeren. Uit alles blijkt dat men er niets voor voelde iemand te helpen die door eigen schuld in moeilijkheden was gekomen. Blijkbaar sloeg men er de oude reglementen maar eens op na, en realiseerde men zich dat er behalve uitkeringen ook prijzen toegekend konden worden.

Vanaf die tijd komt de oorspronkelijke doelstelling weer in zicht. In 1903 was het zover, dat de eerste echte prijs uitgekeerd werd. De uitreiking is weliswaar ruim twintig jaar later dan de D.A. Thieme-prijs die in 1881 toegekend werd aan Carel Vosmaer, maar deze prijs was pas het jaar daarvoor ingesteld en is dus veel later ontstaan. Prijswinnaar van de eerste Tollens-prijs was de vergeten volksboekenschrijver G. van Hulzen. Daarna volgden om de vijf jaar bekroningen. P.C. Boutens, Willem Kloos, Louis Couperus, Ina Boudier Bakker en Anton Koolhaas horen tot de laureaten.

Komisch is de toekenning van de prijs aan Herman de Man in 1938. De Man heeft dan net een geschil met de belastingdienst en hij hoopt erop dat hem een bepaalde schuld kwijtgescholden zal worden. Hij verzoekt de commissie vertrouwelijk om de toekenning van de prijs nog niet bekend te maken, want als de belasting daar lucht van krijgt, wordt de schuld hem niet kwijtgescholden en `zinkt de prijs door een fiscale zeef'. De belastingambtenaren krijgen er geen lucht van, en De Man stuurt een bedanktelegram.

Nog na de Tweede Wereldoorlog ontvangen er weduwen ondersteuning, zoals Mevrouw Du Perron. Maar de bedragen worden naar verhouding steeds kleiner. Het fonds groeit niet naar verhouding, want de penningmeesters zijn degelijk en staan ver boven het kaartspel met aandelen. Malversaties lijken er nooit geweest te zijn, maar wel is er eens een secretaris-penningmeester uit het bestuur gewipt vanwege verregaande indolentie. Zekere secretaris had in een heel jaar, 1952, geen enkele brief de deur uit doen gaan. Ondanks een gesprek met andere bestuursleden, kon hij niet beloven zijn negatieve houding te herzien en dus wordt hij verzocht op te stappen. Ina Boudier Bakker reageerde geschokt in een brief: `Ik denk dat hij zo lang rondgezwermd heeft om allerlei verblindende figuren, dat ons oude brave Tollens-fonds geheel uit zijn aandacht is geraakt.' De ironie van de geschiedenis wil, dat de ondernemende huidige secretaris-penningmeester familie van hem is. ,,Oom was een schat van een man, maar hij kwam wat moeilijk in beweging'', was zijn commentaar.

Aanstaande zondag wordt voor de twintigste maal de oudste literaire prijs van Nederland uitgereikt. In het Tollens-museum in Rijswijk zal Drs. P geëerd worden om zijn verdiensten voor de Nederlandse taal. Ook Tollens pikt een graantje mee: Jules Deelder zal de complete Overwintering op Nova Zembla voordragen.