Het lange naleven van helden

In elke Franse plaats heet er wel een straat naar Jean Moulin (1899-1943) en naar Erik Hazelhoff Roelfzema (1917) werd de film `Soldaat van Oranje', Nederlands eerste mega-productie (1977) vernoemd. Moulin slaagde er tijdelijk in het Franse verzet tegen de Duitsers onder één noemer te brengen, Hazelhoff was de Engelandvaarder die de Duitsers vanuit Londen ter land, ter zee en in de lucht bestookte. Moulin was bijna een generatie ouder dan Hazelhoff, meer een bestuurder dan een soldaat, en een geheimzinniger personage dan de extraverte Nederlander.

Moulin heeft geen tijd gekregen zijn reputatie te vestigen, want `de zwarte prins' zoals Erik Hazelhoff de dood pleegt te noemen, kwam hem vroegtijdig halen. Dat gaf anderen de gelegenheid het vóór hem te doen. Het boek van de Engelse onderzoeksjournalist Patrick Marnham heet over Moulins dood te gaan, en de laatste hoofdstukken lezen ook als een detective, maar eigenlijk vooral de legende die rond de dode verzetsman is gesponnen op het spel. Hazelhoff heeft daarentegen alle gelegenheid gehad zelf zijn geschiedenis te schrijven. Vergelijking van de twee boeken verschaft enig inzicht in de nadelen van respectievelijk een tekort en een overvloed aan biografische gegevens.

Max

Op 21 juni 1943 overviel een Duits Sonderkommando onder aanvoering van Klaus Barbie een dokterspraktijk in Lyon, en arresteerde daar acht voormannen van het verzet die zich daar op verzoek van Jean Moulin, alias `Max', hadden verzameld. Enkele genodigden hadden verstek laten gaan, één van de gearresteerden wist te ontsnappen, sommigen werden vrijgelaten, anderen later bevrijd. Moulin werd in Lyon gemarteld, waarschijnlijk meer dood dan levend naar Parijs vervoerd, misschien in Metz vermoord, en tenslotte in Frankfurt voor dood aangetroffen. De bijeenkomst en zijn afloop zijn omgeven met raadsels en tegenstrijdigheden die al eerder hebben geleid tot speculaties over verraad. Ook Marnham zoekt ijverig een `dader', en laat geen ruimte voor een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Moulin werd geboren in een ambtenaarsgezin in Zuid-Frankrijk dat doordrongen was van de republikeinse deugden. Hij maakte carrière in de openbare dienst, en schaarde zich ten tijde van het Volksfront, in 1936, bij de verdedigers van de Spaanse Republiek. Werkend op het ministerie van luchtmacht was hij in de positie om vliegtuigen Spanje binnen te smokkelen, ook toen een internationaal Non-Interventie Comité op wapenleveranties aan de Republiek en aan Franco toezag. `Was hij al een streber en republikein, daar voegden zich nu de gestalten van idealist en communistische meeloper aan toe', schrijft Marnham onwelwillend. De `drôle de guerre', het wezenloze oorlogje van zeven weken dat de Fransen in 1940 voerden, overviel Moulin in Chartres waar hij het aartsrepublikeinse ambt van prefect uitoefende. In de paniek van de Franse terugtocht voor de Duitse legers, hield hij zich als een van de weinigen staande en organiseerde noodhulp voor de achtergeblevenen.

Uit zijn nagelaten papieren blijkt hoezeer hij zich de Franse vaandelvlucht heeft aangetrokken. De beschamende ineenstorting van de politieke instellingen, suggereert Marnham, zou Moulin eens te meer ontvankelijk hebben gemaakt voor radicale alternatieven. Eenmaal prefect af na de capitulatie en bezetting, ving een periode van politiek rondtasten in het ondergrondse halfduister aan. In die tijd is hij ook in aanraking met sovjet-agenten gekomen. Maar onder het mom van kunsthandelaar kwam hij, reizend tussen de bezette zone en Vichy-Frankrijk met avonturiers van allerlei pluimage in contact. De Komintern leefde trouwens nog lang na de bezetting onder het dictaat van het Molotov-Ribbentrop pact, en voor verzet moest je niet bij de communisten zijn: de kapitalisten moesten het onderling maar uitvechten.

Na links en rechts zijn licht te hebben opgestoken stak hij in het najaar van 1941 voor het eerst over naar Londen om contact met de Vrije Fransen te zoeken. Communistische meeloper of niet, De Gaulle bood hij zijn diensten aan, en met succes. In 1943 vervoegde hij zich nogmaals in Londen, en bij die gelegenheid breidde De Gaulle zijn mandaat uit met de opdracht om een Nationale Raad van het Verzet te construeren uit alle rechtgeaarde verzetsgroepen. Een aanspreekpunt voor de geallieerden. Zelfs de coördinatie van het inmiddels geduchte Zuid-Franse verzet, waar Moulin het beste in thuis was, verliep moeizaam, en hoogstwaarschijnlijk was de vergadering die Moulin op 21 juni 1943 had belegd op een volgende ruzie uitgelopen tussen de linkse en rechtse knokploegen, die elkaar niet vertrouwden en De Gaulle evenmin. Geen gebrek aan redenen en gelegenheid voor verraad.

Maar hoe zorgvuldig Marnham zijn bronnen ook wikt en weegt, zijn vermoeden dat Jean Moulin door `de communisten' aan de Duitsers is uitgeleverd – omdat die met de bevrijding ook meteen een sociale revolutie hadden gepland die niet met het gaullistische patriottisme strookte – blijft een slag in de lucht.

Zondagskind

Hazelhoff Roelfzema's verhaal mist de duistere hoeken en straten waarin Moulins leven zich meer dan eens verliest. Van een zonnige Indische jeugd als planterszoon rolt het zondagskind opgewekt het Leids studentencorps binnen, reist na de bezetting in mei '40 als vanzelfsprekend de koningin achterna naar Engeland, en bekwaamt zich in het droppen van spionnen op de Nederlandse kust, en van bommen op Duitse steden. Bevorderd tot Wilhelmina's adjudant keert hij samen met haar terug in het vaderland, probeert als Nederland hem te klein wordt zijn fortuin in Amerika, vliegt nog eens een geheime missie voor de Molukse zaak, runt eind jaren vijftig `Radio Free Europe', doet wat in de racerij, en dan tillen zijn bestseller en de film `Soldaat van Oranje' hem in de jaren zeventig definitief naar de hoogten van roem en rust.

Vanaf Hawaïi blikt hij voldaan terug op een geslaagd en avontuurlijk leven. Een leven in de schijnwerpers. Natuurlijk, de raids op Scheveningen, Hamburg en Ambon geschiedden bij nacht, en het verslag over zijn werk bij Radio Free Europe doet vermoeden dat hij niet over alle huzarenstukjes het achterste van zijn tong laat zien, maar meestal is Hazelhoffs optreden behalve doeltreffend, ook een openbare les in vrijheidslievendheid en koningsgezindheid. En in levenslust, want tussen de bedrijven door wordt de fles duchtig aangesproken, en de meisjes worden zeker niet vergeten. Op zijn best herinnert Hazelhoffs verteltrant aan de kwinkslagen van `Her Majesty's favorite secret agent', maar in de windstiltes tussen zijn militaire escapades doet de kwajongensleut meer aan Adriaan en Olivier van Leonard Huizinga (1963) denken.

Die stijlfiguur is in het oorlogsverzet geen onbekende: de corpsstudent die onverschrokken de vijand te lijf gaat. Er zijn wel wat weemoedige herinneringen aan gevallen kameraden, en er zijn ook een paar ontsnappingen aan de dood, `de zwarte prins', waarbij de schrijver een mystieke ervaring doormaakt die hij in verband brengt met zijn Indische jeugd. De kleine stille kracht die zo nu en dan in het boek opduikt, doet ook zijn werk bij de impressies van de tropen, en nog beter bij zijn beschrijvingen van de eenzame nachtvluchten boven Duitsland. Maar de verhalen over zijn besognes in vredestijd ontberen die zindering van gevaar, en daar wreken zich ook de beperkingen van de Leidse student die Hazelhoff altijd in hart en nieren is gebleven. Het wijdlopig exposé van een gezonde conservatieve levenskijk maakt zijn autobiografie taaier dan het stoere `Soldaat van Oranje', waar eenvoud de natuurlijke deugd van de held is.

Panthéon

Jean Moulin moest na zijn dood met zich laten sollen. Aanvankelijk riepen de gaullisten hem uit tot vader van het verenigd verzet. Na zijn bijzetting in het Panthéon in 1964 door André Malraux, maakten sommige soldaten van het `schimmenleger' al bezwaar tegen zoveel eer. Maar tot en met het proces tegen Klaus Barbie in 1987 is de mythe van het eendrachtige Franse verzet onaangevochten gebleven. Daar is de laatste jaren verandering in gekomen, en Marnham sluit aan bij een aantal Fransen die, vaak met een eigen politieke agenda, de bloedige strijd binnen de gelederen met de pen voortzetten. Her en der wordt zelfs aan Moulins goede trouw getwijfeld.

Marnhams poging tot ontraadseling van zijn dood is zeker een nuttige bijdrage aan de onttovering van de Franse geschiedenis. Zijn poging zelf een schuldige voor de dood van Moulin aan te wijzen, en daarmee voor het fiasco van een verenigd verzet, lijkt echter deel uit te maken van de eigenrichting die in de plaats van de marmeren idealen van De Gaulle is gekomen. De dode Moulin is in die strijd tussen links en rechts voorlopig de hoogste inzet. Dan is het lot van een held die zichzelf dreigt te overleven, zoals Hazelhoff Roelfzema, verkieslijker.

Patrick Marnham: The Death of Jean Moulin. Biography of a Ghost. John Murray, 290 blz. ƒ86,20

Erik Hazelhoff Roelfzema: Op jacht naar het leven. De autobiografie van de Soldaat van Oranje. Het Spectrum, 467 blz. ƒ52,75