Het gen heeft het niet gedaan

Jaagden onze voorouders op de savannen en zijn we daarom nog steeds jagers? Is ons gedrag naadloos te verklaren uit onze prehistorische genen? Tal van succesvolle populair-wetenschappelijke boeken gaan daarvan uit.

Nu is er een tegendraadse bundel die afrekent met de simplistische aannamen van de gen-gelovigen.

Vroeger hadden we Marx en Freud, nu hebben we de evolutionaire psychologie. Talloze boeken over de menselijke evolutie verschijnen in de boekwinkel, van Steven Pinkers How the mind works (1997) en Robert Wrights The Moral Animal (1994) tot Geoffrey Millers The Mating Mind. How sexual choice shaped the evolution of human nature (2000) en Mark Nelissens De Bril van Darwin. Op zoek naar de wortels van ons gedrag (2000). Niet langer vormt klassenstrijd of Oedipuscomplex de favoriete verklaring voor het menselijk gedrag, maar de prehistorie, die de mens kennelijk nog altijd in de genen zit.

Het uitgangspunt van dit nieuwe genre is eenvoudig te begrijpen. Het gaat als volgt. De mens is evolutionair gevormd in het Pleistoceen, toen hij jagend en verzamelend in kleine groepjes over de savanne trok. In de meer recente geschiedenis zijn er met de ontwikkeling van de landbouw en het ontstaan van steden weliswaar drastische veranderingen opgetreden in het menselijk bestaan. Maar genetisch is de mens nog altijd een prehistorisch wezen. Zo snel kunnen onze genen nu eenmaal niet evolueren.

Veel, zo niet al ons gedrag kan zo verklaard worden, meent de evolutionaire psychologie: waarom stiefvaders vaker hun kinderen vermoorden dan biologische vaders, waarom mannen vaker vreemdgaan dan vrouwen, waarom we graag kijken naar weidse landschappen. Cruciaal voor deze verklaring is de overtuiging dat genen een directe invloed hebben op menselijk gedrag.

Op zichzelf is deze benadering van de evolutionaire psychologie (EP) niet zo gek. Maar zoals bij marxisme en freudianisme blijkt van de uitgangspunten niet veel te kloppen.

Defecte genen

Over genetica en DNA is de laatste jaren veel verschenen. Wetenschappelijk nieuws, heet van de naald, dat regelmatig het tv-journaal en de voorpagina's van kranten haalt. Dat het daarbij vrijwel altijd gaat om onderzoek naar defecte genen die zeldzame stofwisselingsziekten veroorzaken, lijkt weinig uit te maken. Genen zijn cool en de evolutionair psychologen rijden enthousiast mee op die publicitaire praalwagen. Als ze zo doorgaan, waarschuwt Stephen Jay Gould in de bundel Alas poor Darwin, zal hen `het lot treffen van de freudianen'. Die hadden ook `een paar goede inzichten', maar mislukten `omdat ze een beperkte leidraad verhieven tot een rigide geloof.`

In Alas poor Darwin wordt onder redactie van het echtpaar Steven en Hilary Rose (respectievelijk neurobioloog en sociologe) de vloer aangeveegd met de twee centrale aannamen van de evolutionaire psychologie: dat genen bepalend zijn voor menselijk gedrag en dat die genen zijn vastgelegd in de prehistorie. Het eerste idee wordt ontkracht met een biochemisch verhaal: niet het dna, maar de cel vormt de basis van het leven. Het tweede idee is eenvoudiger te ontkrachten: omdat we van het leven in de prehistorie nu eenmaal bar weinig afweten, zijn theorieën daarover grotendeels speculatie. Rose doet ze terecht af als just-so-stories, naar de kinderverhalen waarin wordt uitgelegd waarom een olifant een slurf heeft en de kameel een bult (een krokodil trok ooit aan de neus van de olifant, de kameel werd gestraft omdat hij nooit wilde werken). Feit is dat we vrijwel niets met zekerheid weten over de menselijke evolutie in de prehistorie weten. Dateringen van het ontstaan van de taal bijvoorbeeld lopen uiteen van vijftigduizend jaar tot één miljoen jaar geleden.

Toch menen sommige evolutionair psychologen uit ons huidige gedrag stellig te kunnen afleiden hoe mensen honderdduizend jaar geleden leefden. In de rest van het betoog wordt die hypothese vervolgens vaak als vastgestelde waarheid beschouwd, waarna bewezen wordt geacht dat er niets nieuws onder de zon is.

Ontdaan van deze pijlers blijft er bar weinig over van de pretentie dat het menselijk gedrag grotendeels evolutionair bepaald is. Het zou kunnen, maar misschien ook niet, en waarschijnlijk is het eigenlijk niet. Het alternatief dat de auteurs (biologen, sociologen, psychologen en één filosoof) in Alas poor Darwin uiteenzetten, luidt dat de evolutie de mens bovenal heeft uitgerust met een flexibel brein, niet met vaste gedragsprotocollen.

Waarom voeren de Rose's zo'n zware polemiek tegen wat op de keper beschouwd vaak aardige leesboeken zijn? Het kwaad dat in de evolutionaire psychologie schuilt, is volgens hen dat het daarin uitgedragen biologisch determinisme onwenselijke sociale consequenties kan hebben. Soms lijkt het bijvoorbeeld of verkrachting van vrouwen wordt goedgepraat, omdat het ooit een `evolutionair nuttige praktijk' zou zijn geweest. Een andere keer wordt onomwonden beweerd dat sociale uitkeringen aan alleenstaande moeders `onnatuurlijk' zijn (door Matt Ridley in The origins of virtue).

Rassen

Zulke opvattingen stroken met die van Margaret Thatcher, die ooit tegen haar linkse critici opmerkte dat er `helemaal niet zoiets bestaat als een samenleving'. Iets dergelijks is ook te vinden in het recente (en op dit punt sterk op Ridley leunende) boekje van de Nederlandse journalist Marcel Roele, De mietjesmaatschappij. Over politiek incorrecte feiten (Contact 2000). Roele trekt van leer tegen `de grootste misvatting van de afgelopen eeuw', namelijk: `dat opvoeding verantwoordelijk zou zijn voor verschillen tussen mensen'. Het zit hem, opnieuw, allemaal in de genen, ook al erkent Roele dat `nog onbekende omgevingsfactoren' ook een rol kunnen spelen in de verklaring van individuele verschillen. Opmerkelijk is dat Roele ook genetische verschillen tussen rassen benadrukt, wat zelfs onder evolutionair psychologen ongebruikelijk is. De evolutionaire psychologie onderscheidt zich echter juist van het ouderwetse sociaal-darwinisme door voortdurend te hameren op de genetische éénheid van de mensheid, een accentverschuiving die Rose en de zijnen dan ook beschouwen als een stap vooruit in het biologische kamp.

Alas poor Darwin past in de heetgebakerde polemiek die Steven Rose al jaren voert tegen het biologisch determinisme. Samen met wetenschappers als de geneticus Richard Lewontin en paleontoloog Stephen Jay Gould, trekt Rose al sinds de jaren zeventig ten strijde tegen de dominantie van het gen zoals die wordt gepropageerd door de beroemde bioloog Richard Dawkins (The Selfish Gene, 1976), de filosoof Daniel Dennett (Darwin's Dangerous Idea, 1995) en de psycholoog Steven Pinker (How the mind works). Dennett en Dawkins beschuldigen Rose en de zijnen er op hun beurt van dat ze ultralinkse marxisten te zijn, een verwijt dat wel begrijpelijk is maar daarom nog niet terecht. Rose en Gould zijn uit linkse hoek afkomstig, maar ze bepleiten allerminst het rigide determinisme dat je van echte marxisten zou verwachten. Ze strijden juist voor `behoud van complexiteit' en tegen `eenvoudige oplossingen voor ingewikkelde problemen'. `Wat is er toch zo verkeerd aan de rommelige rijkdom van de werkelijkheid?', vraagt Gould zich bijvoorbeeld af in zijn bijdrage aan Alas poor Darwin.

De centrale kwestie bij Rose en Gould is de rol van natuurlijke selectie: de wijze waarop planten en dieren door aanpassing aan hun omgeving als soort kunnen overleven. Een kernidee van de groep `ultradarwinisten' rond Richard Dawkins is dat de natuurlijke selectie direct inwerkt op individuele genen, waarbij het organisme hooguit `vehikel' is voor de genen. De mens is geen mens, maar een `drager van genen' die zich via hem willen voortplanten. Verder is volgens de `ultra's' natuurlijke selectie zo krachtig, dat vrijwel àlle eigenschappen van een organisme erdoor bepaald zijn. Elk kenmerk van mens, dier of plant is, of was, ooit nuttig voor zijn overleving.

Anti-Dawkins

Dit laatste idee wordt door Stephen Jay Gould bestreden in zijn bijdrage aan Alas poor Darwin. Naast de stapsgewijze manier waarop de natuurlijke selectie werkt, is in de evolutie ook de rol van onvoorziene, grote gebeurtenissen of rampen belangrijk (zoals de ramp die de dinosaurussen uitroeide). Ook op DNA-niveau vinden allerlei veranderingen plaats die niet `nuttig' zijn, maar die toch invloed hebben op het organisme en op de evolutie.

Het idee dat genen in de evolutie centraal staan, wordt in Alas poor Darwin op adembenemende wijze weerlegd door de geneticus Gabriel Dover. Zijn artikel, toepasselijk `Anti-Dawkins' genoemd, haalt het populaire beeld van genen als de motor van het biologische bestaan geheel onderuit. Genen, legt Dover uit, zijn helemaal geen zelfreplicerende moleculen, zoals Dawkins meent. Zonder een cel is DNA waardeloos, wat de bioloog in zijn reageerbuisjes ook teweeg weet te brengen. Er is maar één autonoom biologisch systeem dat zichzelf kan reproduceren, en dat is de cel. Natuurlijke selectie kan alleen inwerken op de cel of op alle samenwerkende cellen: het organisme.

Het is daarom ook onmogelijk om vast te stellen wat de invloed van een bepaald gen is op het evolutionaire succes van een soort, aldus Dover. Het gen dat alleen voor zichzelf leeft (the selfish gene van Dawkins) bestaat niet. Het is zelfs niet waar dat een gen maar één enkel doel dient. De meeste genen bestaan uit `modulen' die ook door andere genen worden gebruikt: een warboel van hiërarchieën en interacties, die samen met de andere biochemische reacties in de cel de ontwikkeling van een organisme bepalen. Weg dus met `het misdaadgen', het `intelligentiegen', etcetera.

Als `het gen' eigenlijk niet meer is dan een theoretische constructie (om het eiwitverkeer in de cel een beetje overzichtelijk te maken), dan stort ook een ander verzinsel, de recentelijk zo populaire meme, in elkaar. Een `meme' is (zoals Dawkins' zelfreproducerende gen) een `zelfreproducerende gedachte' die de drager zou zijn van de menselijke cultuur. Een klassiek voorbeeld van een `meme' is een reclamedeuntje dat opeens bij miljoenen mensen in het hoofd zit: het lijkt een eigen leven te leiden. Zoals het organisme bij Dawkins weinig meer is dan een vehikel voor de genen, zo is in Susan Blackmore's boek The Meme Machine (1999) de menselijke geest niet veel meer dan een ontvanger en doorgever van memen. Wij allen zouden het slachtoffer zijn van memen die op ons bewustzijn parasiteren.

Helaas voor Blackmore en alle anderen die zich op dit modieuze idee hebben gestort, is het eenvoudig te ontkrachten. Het menselijk denken en de cultuur kennen helemaal geen vaste kern-eenheden, maar bestaan uit `sterk bewegende patronen', zoals de filosofe Mary Midgley het omschrijft in Alas poor Darwin. Voor autonome `memen' is in het brein geen plaats.

Op dit punt aanbeland, als de lezer het gen (met meme en al) in de vuilnisbak van de wetenschapsgeschiedenis heeft laten vallen, kan hij nog altijd op een andere manier blijven hopen dat ons gedrag evolutionair bepaald is. Er is toch zoiets als instinct? Die laatste hoop wordt de grond ingeboord door etholoog Patrick Bateson. Vrijwel elk `instinct' is sterk bepaald door leerprocessen of wordt daardoor in stand gehouden. Blind geboren baby's glimlachen inderdaad`instinctief', maar dat zegt nog weinig over de rol van de glimlach in het sociale verkeer, die in hoge mate wordt bepaald door de cultuur. En ook bij blinde baby's wordt zonder interactie met de moeder de glimlach al snel minder gevarieerd dan bij kinderen die wel kunnen zien. Leerprocessen maken soms gebruik van aangeboren elementen. Maar die constatering is mijlenver verwijderd van het idee dat genetisch bepaald gedrag overheerst in de evolutionaire psychologie.

Wie is de winnaar in dit debat? De tegenstanders van Dawkins en de zijnen hebben waarschijnlijk de beste papieren en in Alas poor Darwin wordt dan ook interessant en goed werk gedaan. Wel is het jammer dat vooral de wankele theoretische fundamenten van de evolutionaire psychologie worden onderzocht en dat er amper wordt ingegaan op de afzonderlijke ideeën en inzichten die deze benadering heeft opgeleverd. In het voortdurend hameren op hetzelfde aanbeeld – dat evolutie niet alle gedrag kan verklaren – begint Alas poor Darwin gaandeweg zelfs te irriteren. Want het blijft nu eenmaal staan dat bij een aantal opmerkelijke eigenschappen van de mens een evolutionair perspectief wel degelijk meer inzicht lijkt te geven. Hoe moeten we de haast ziekelijke voorkeur van de moderne mens voor vet en suiker verklaren? De evolutionaire verklaring is dat de mens in het Pleistoceen nooit teveel kon eten van deze beperkt beschikbare, energierijke voedingsmiddelen. Zo ontwikkelde hij een eetlust die ons opbreekt nu deze stoffen in overvloed aanwezig zijn.

Een ander inzicht, door Pinker in How the mind works uitvoerig besproken, is dat het enorme belang van leugendetectie en het inschatten van emoties bij de mens wel moet zijn ontstaan in de prehistorie. Hoe kan het gezicht anders een `spiegel van emoties' zijn geworden, vol onwillekeurige spierbewegingen? Volgens Pinker heeft deze publieke herkenbaarheid van menselijke gevoelens een belangrijk evolutionair voordeel gehad, omdat zo samenwerking met anderen veel makkelijker tot stand kon komen. Je kon zién of de ander te vertrouwen was. De geringe aandacht voor dit soort vragen in Alas poor Darwin verzwakt de aanval op het ultra-determinisme enigszins. Want de meeste lezers van evolutie-boeken gaat het juist om dit soort interessante concrete inzichten, niet om moeilijke beschouwingen over de rol van genen in de cel. Een meer systematische analyse van de zin en onzin die onder de vlag van evolutionaire psychologie verschijnt, wordt hier dan ook gemist.

Misselijkheid

Ook in Barbara Herrnstein Smith's bijdrage aan Alas poor Darwin, geheel gewijd aan het boek van Pinker, betreft de meeste kritiek diens methode en uitgangspunten. Herrnstein Smith schrijft nog wel dat sommige evolutionaire verklaringen voor gedrag en mentale processen aannemelijk kunnen zijn, zoals het vermogen om gezichten te herkennen en de misselijkheid aan het begin van een zwangerschap. Er bestaan dus ook volgens haar zinnige evolutionair-psychologische verklaringen, maar over de vraag hoe dat gedrag wordt overgedragen, zwijgt Herrnstein Smith. Dat verstandige evolutionaire psychologie ondanks alles mogelijk is, bewijst overigens sociobiologe en antropologe Sarah Blaffer Hrdy in haar prachtige Mother Nature: A History of Mothers, Infants, and Natural Selection (besproken in Boeken 28.04.00), onlangs vertaald als Moederschap, een natuurlijke geschiedenis. Over genen en prehistorie speculeert Hrdy amper, haar observaties betreffen vooral de invloed van hormonen èn de grote flexibiliteit van het menselijk gedrag.

In Alas poor Darwin wordt alleen de bekende hypothese over de relatie tussen stiefvaders en kindermoord enigszins uitvoerig besproken, door Hilary Rose. De these zoekt een verklaring voor het feit dat in huishoudens met een stiefvader vaker kinderen worden mishandeld en vermoord dan in huishoudens waar de natuurlijke vader aanwezig is. Volgens evolutionair psychologen komt dat door de neiging van mensen om hun eigen genetische nakomelingen te bevoordelen. Tja, hoont Rose, zo kun je dus nooit verklaren waarom de meeste stiefvaders hun kinderen níet vermoorden. Fijntjes voegt ze eraan toe dat van bevoordeling van genetische nakomelingen bij slavenhouders niet veel te merken was; hun bastaarden bij slavinnen werden even onverschillig behandeld als andere slavenkinderen. Als ons denken en doen dus al wordt bepaald door de evolutie, dan nog is die invloed kennelijk makkelijk te ontkrachten door sociale en culturele omstandigheden. Die conclusie mogen we wel trekken.

Hilary Rose en Steven Rose:

Alas Poor Darwin. Arguments against Evolutionary Psychology.

Jonathan Cape, 292 blz. ƒ75,-