Het brein bij Elvis

De babyboom-generatie heeft het verkreukelde portret van Bob Dylan inmiddels weer in het familiealbum geplakt. Michael Gray maakt in bijna duizend pagina's de balans op van veertig jaar Dylan. Geen stembuiging ontsnapt aan zijn aandacht.

Geen popartiest is waarschijnlijk zo aanbeden en verguisd als Robert Allen Zimmerman (1941) die onder zijn artiestennaam Bob Dylan eerst `de stem van een generatie' werd, zijn krediet daarna weergaloos verspeelde, en de laatste vijftien jaar met onverwacht succes werkt aan eerherstel. Van een halfgod, wiens afvalbakken door `dylanologen' even grondig werd uitgeplozen als zijn teksten, degradeerde Dylan tot een object van spotlust, een reliek over wie iedereen zich zonder risico vrolijk kon maken. Het wachten was op de vitrine waarin het fossiel kon worden bijgezet, onder het bordje `popzanger, tweede helft twintigste eeuw'.

Gelukkig liet de wispelturige Dylan direct barsten springen in die glazen kooi. De 55-plusser ging niet met pensioen maar bleef in de late jaren negentig honderden optredens per jaar geven, vele rampzalige exercities op de automatische piloot, maar soms ook wonderlijk geïnspireerde triomfen. En opeens was er in 1997 een bijna-fatale hartkwaal, die de necrologie-schrijvers deed opveren, en hetzelfde jaar weer een cd, het troosteloos prachtige Time Out Of Mind. Het markeerde een omslag in de publieke waardering voor Dylan. De babyboom-generatie, die hem tot verstikkens toe annexeerde in de jaren zestig en zich vervolgens van hem afkeerde toen hij de Heer vond, heeft de leeftijd bereikt om ook het verkreukelde portret van deze verloren zoon in het familie-album te plakken. Nieuwe generaties, niet belast met het loodzware barricadenverleden van hun voorgangers, kunnen zijn werk met een frisse blik bekijken. Dat eerherstel voor Dylan is verdiend, even afgezien van de vraag of een Nobelprijs, zoals die de laatste tijd voor hem is bepleit door zijn bewonderaars, niet óók een glazen kooi zou kunnen zijn voor deze voordrachtskunstenaar.

Dylanoloog

De Engelse criticus Michael Gray heeft met de verpletterende derde editie van zijn Song and Dance Man een eigen vitrine voor Dylan ingericht. Het boek, waarvan de eerste uitgave dertig jaar geleden verscheen, is de meest indringende en uitputtende analyse van Dylans oeuvre die nu voorhanden is. Een mooie vitrine is het bovendien ook. Het glas is dik maar helder, en belangrijker: de deur staat op een kiertje, om het museumstuk toch nog een kans op ontsnapping te gunnen.

Song and Dance Man verscheen voor het eerst in 1971, toen Dylan nog Jezus tegen wil en dank was, en telde destijds zo'n driehonderd bladzijden. Een herziene editie verscheen tien jaar later, toen Dylan zich uit wanhoop tot God had bekeerd en van de weeromstuit zelf had afgedaan als Jezus. De huidige editie, die verschijnt nu Dylan (tot Gray's tegendraadse irritatie) opnieuw salonfähig is, is maar liefst drie keer zo dik. De tekst is uitgebreid met onder meer stukken over Dylans zeer wisselvallige werk in de jaren tachtig en negentig, een hoofdstuk over de literatuur die over hem is verschenen, en een essay over de invloed van de zwarte blues op zijn muziek.

Gray is een dylanoloog in het kwadraat. Alleen de fanatiekste Dylan-liefhebber zal dit verbijsterende werk geheel kunnen doorploegen. Geen stembuiging van de meester ontsnapt aan de aandacht, geen snippertje tekst blijft onaangeroerd. Dat is vermoeiend, en soms ronduit potsierlijk (zingt Dylan nu `it's getting there' of `I'm getting there'?). Gelukkig is het ook voor de leek vaak genoeg interessant: Gray's kennis van de Amerikaanse populaire muziek is imposant, en de uitleg die hij aan Dylans teksten geeft is altijd informatief. Gray is bovendien geen bewonderaar van het vuilnisbakkenras: Dylans huiselijke leven blijft genadig buiten beschouwing. Echtscheidingen, affaires of drugsverslavingen interesseren Gray net zo min als de boodschappenlijstjes die Dylan-fanaten in Greenwich Village uit zijn vuilnis grabbelden.

Bovendien is Gray aangenaam oneerbiedig over Dylan zelf, wanneer die in zijn ogen straf verdient. Hij fulmineert tegen Dylans `afzichtelijke zelfverlaging' op het podium, en signaleert maar half-geamuseerd zijn neiging zich bij gastoptredens tussen andere sterren te gedragen als een zwerver die zojuist op de bühne is ontwaakt; een erfenis van zijn komische idool Charlie Chaplin. Aan de minkant noteert Gray vooral de cynische exploitatie van zijn eigen legende waaraan Dylan de laatste jaren meewerkt, getuige de verkoop van The Times They Are A Changin als reclameleus voor het Londense openbaar vervoer, zijn deelname aan MTV Unplugged (`het ellendigste stuk product ooit door een bekende artiest uitgebracht'), en de T-shirts en portemonnees die op zijn website (www.bobdylan.com) kunnen worden gekocht.

Het is een lange, deprimerende lijst. Toch levert die litanie ook één inzicht op waar verstokte Dylan-bewonderaars hun voordeel mee kunnen doen. Het maakt nog eens duidelijk hoe tweeslachtig Dylans verhouding is tot zijn eigen werk en, vooral, zijn eigen roem. Geen wonder. Dylan is, na Elvis, de belangrijkste vernieuwer geweest in de popmuziek van de twintigste eeuw: Elvis gaf het genre ritme, Dylan gaf het een brein. Met zijn werk werd `rockmuziek' in één klap getransformeerd van een prettig soort smurfenliedjes tot een volwassen lyrische kunstvorm. Toch wil het grote, blijvende misverstand rond Dylan dat hij vooral de politieke, linkse protestcultuur van de `sixties' belichaamt. Voor de generatie die opgroeide met Vietnam en mei `68 is hij nog altijd de vaandeldrager van een progressieve maatschappijkritiek en anti-Amerikanisme, de overtuiging dat alle kwaad van Uncle Sam komt.

Religieus zondebesef

Dylan zelf had volop aanleiding gegeven tot dat stereotype, maar al in 1963, een paar jaar na zijn doorbraak met Blowin' In The Wind, keerde hij zich af van het moralistische protest-genre. Hij rook andere kansen. Protest was niet hip genoeg meer, toen hij eenmaal LSD had ontdekt. In 1965 schakelde hij over op elektrisiche rockmuziek, wat hem een psychedelisch imago opleverde, èn de wrok van zijn oude publiek. Maar in 1967, na zijn fameuze `motorongeluk' en op het kookpunt van de psychedelische rock, kwam Dylan met een country-elpee vol stemmige bijbelse ballades (John Wesley Harding). Kritiek had plaatsgemaakt voor religieus zondebesef en profetische onheilsverwachtingen.

Dylans `maatschappijkritische' boodschap is bovendien altijd ambigu geweest. Zijn cynische tirades tegen de moderne tijd, waarin alles wordt ontworteld en verkocht, waren altijd al meer geënt op de Bijbel dan op Das Kapital. Dylans aanklachten tegen bankiers, politici en generaals passen in een Amerikaanse volkstraditie die het opneemt voor de kleine man, van de Oklahoma Dust Bowl tot de Grote Depressie. Een empathisch populisme, dat even goed kan eindigen op schoot bij Pat Buchanan als in de jungle naast Che Guevara.

Eén verdienste van Grays studie is dat het ondubbelzinnig duidelijk maakt hoezeer Dylan in die Amerikaanse muzikale traditie staat. Aan het essay over Dylans folkbronnen, dat al in de eerste editie stond, is een lang en grondig hoofdstuk toegevoegd over de invloed van de zwarte blues. De Mississippi-delta blijkt uitlopers te hebben in Dylans werk, tot en met Time Out Of Mind, waarvan sommige vermoeide levenswijsheden rechtstreeks ontleend blijken aan oude blues.

Er is, ten slotte, ook een zonzijde aan Dylans huidige toestand. Aan het slot van zijn boek spreekt Gray zichzelf moed in. Als goede tekens ziet hij Dylans bij vlagen geïnspireerde optredens, zijn betere werk op Time Out Of Mind, en het vermogen om zelfs met zijn gehavende stem (veertig jaar roken, drinken en zingen) woorden nog te laden met overtuiging. De vitrine staat dus open: wie weet slaagt de 59-jarige zanger er opnieuw in aan de octopus-omarming van het publiek te ontkomen. `Ik ben maar een muzikant', zei Dylan ooit. Ongetwijfeld valse bescheidenheid, maar óók gemeend. Een `song and dance man', aldus het indrukwekkende levenswerk van zijn super-exegeet Michael Gray.

Michael Gray: Song and Dance Man III. The Art of Bob Dylan.

Cassell, 918 blz. ƒ303,75 (geb.), ƒ121,30 (pbk)