Gooi een gezicht uit de groep

Je zult maar uit het raam van je New-Yorkse appartement kijken, en een vijftien verdiepingen hoog wit paard door de straat zien lopen. Een wit, transparant paard nog wel. Dat was voor Andrew Loog Oldham dan ook het moment waarop hij besloot een ander leven te gaan leiden, zonder drugs. Tot een jaar of vijf geleden begon de flamboyante ex-manager van de Rolling Stones de dag met een grappa, een lijntje coke en eventueel wat heroïne.

Na de verschijning van het paard en de merkwaardige beestjes die in zijn soep leken te zwemmen, kickte Oldham af. Als alternatief vond hij zijn heil bij de Scientology-sekte van L. Ron Hubbard. Vervolgens ging hij aan de slag om zijn memoires te schrijven. Deel één, Stoned, verscheen onlangs, en deel twee, Too Stoned, is bijna af. Het eerste boek beslaat de periode vanaf zijn geboorte in 1944 tot 1964, toen Andrew Loog Oldham net de – toen nog – Rollin' Stones had ontdekt en hun eerste lp produceerde. Het tweede deel zal Oldhams breuk met de Stones (in 1967) en zijn afdaling in de drugs-hel verslaan.

Stoned heeft de vorm van oral history. Om de beurt komen mensen aan het woord die met Oldham te maken hebben gehad, van Pete Townsend (van The Who), Vidal Sassoon (jetset-kapper) en Sheila Klein (zijn eerste echtgenote) tot Gene Pitney. Stoned plaatst de carrière van de Stones-manager dan ook in een bredere context. We leren alles over het na-oorlogse Londen, over hoe een opgeschoten tiener aan geld kon komen, over de rol van kleding, het culturele leven, Tin Pan Alley, de musicals, de eerste popidolen.

Twee aspecten aan Stoned wekken bevreemding. Ten eerste de vraag hoe iemand die dertig jaar lang in een roes heeft verkeerd, zich nog kan herinneren wat hij bij een bepaalde gelegenheid droeg. Namelijk: `A broadcloth, blue, tab-collared shirt, jet-black wool tie, three-piece suit complete with cuffs on jacket and trousers, flair-waisted jacket à la Bunny Roger with inverted vent, spit and polished side-laced black booties.' Het andere merkwaardige kenmerk van deze autobiografie van de man die door de Rolling Stones beroemd is geworden, is dat er geen Stone in voorkomt. Niet één van de vier leden die Loog Oldham toen `ontdekt' heeft, wilde aan het boek meewerken.

Maar wat Loog Oldham ook heeft gedaan om de verwijdering tussen de partijen te veroorzaken (dat lezen we hopelijk in deel twee), het blijft imposant dat hij op zijn negentiende al sterren herkende in de zes bleke jongens die optraden in The Station Hotel in Richmond. Dat moesten er trouwens al snel vijf worden, want, zoals Oldham uitlegt, mensen die de hele dag hebben gewerkt, hebben geen zin om in hun vrije tijd te veel gezichten uit elkaar te moeten houden – exit pianist Ian Stewart, die trouwens ook te `lelijk' was.

Oldhams vroege tienerjaren waren al gekleurd door de hunkering naar muziek en beroemdheden. Aanleiding om het achter de schermen te zoeken was de film Expresso Bongo (1960) over een popster (Cliff Richard) en zijn manager (Laurence Harvey). Mooi is de anekdote over zijn bezoek aan Shirley Bassey en haar echtgenoot/manager Kenneth Hume, die hij gewoon in het telefoonboek had gevonden en onaangekondigd opzocht. Het ging de 18-jarige Oldham niet om de zangeres maar om Hume, want hij bewonderde diens Svengali-achtige effect op de ontwikkeling van Bassey's stijl en aanpak. Bij een kopje thee vertrouwde Hume hem allerlei managerswijsheden toe.

Dat Oldham zich als tiener zo vrij kon gedragen, was het gevolg van zijn onconventionele gezinssituatie. Hij werd geboren als onwettig kind van de Amerikaans-Nederlandse vliegenier Andrew Loog, die voor zijn geboorte al was verongelukt, en een joods-Australische moeder. Moeder Celia Oldham had later verschillende rijke minnaars en bekommerde zich meer om haar stijlvolle verschijning dan om de jonge Andrew. In de klas op de keurige Wellingborough School was zijn vriend John Douglas getuige van een vroege versie van de Andrew Loog Oldham-aanpak: eerst trek je de aandacht, dan shockeer je, vervolgens laat je ze lachen en tenslotte bemachtig je hun geld.

Die tactiek werkte bij de lancering van de Stones. Wat Oldhams aandeel in hun faam precies geweest is, zal wel nooit helemaal duidelijk worden. Maar in elk geval was hij het die de slagzin `Would you let your daughter marry a Rolling Stone' de wereld inhielp. Toen de eerste single van de Stones, Come On, dreigde te floppen, kocht hij het plaatje de hitparade in. `Het was de truc om uit te vinden welke platenzaken meewerkten aan de hitparade. Daar liet je dan op vrijdag allemaal meisjes de singles opkopen. Op zaterdag stuurde je ze opnieuw, maar dan was de voorraad uitverkocht, zodat de winkelier 's maandags wel nieuwe moest bestellen.' Zo kwam er een hit, en behield de platenmaatschappij zijn vertrouwen.

Andrew Loog Oldham presenteert zichzelf in Stoned als een onuitstaanbare figuur. Hij beschrijft zichzelf en zijn successen met de nodige zelfspot, maar tussen de regels door schemert de honger naar applaus. Bovendien gedroeg hij zich als een halve gangster. Richards en Jagger werden door hem opgesloten in een kamertje onder het dreigement dat ze geen eten zouden krijgen als ze niet een eigen liedje componeerden (dat wilde hij omdat er bij het spelen van covers zoveel royalties afgedragen moesten worden).

Maar hij had er kijk op. Andrew Loog Oldham was net als de Stones een hartstochtelijk liefhebber van rhythm & blues. Toch begreep hij dat de gemiddelde Engelse tiener niet veel affiniteit had met de zorgen en behoeften van een middelbare Amerikaanse zwarte. Daarom moesten Jagger en Richards hun eigen idioom ontwikkelen. Dus niet `There is a rose in Spanish Harlem', maar wel Mick en Keiths `You can turn off and on more times than a flashing neon sign.' Hoe megalomaan Loog Oldham zich ook betoonde, zijn inzicht in de Britse psyche is historisch gebleken. En in zijn onbeschaamde zucht naar roem is hij eerlijk. Bovendien, aan het eind van dit eerste deel was hij nog altijd maar: negentien.

Andrew Loog Oldham: Stoned. Secker & Warburg, 374 blz. ƒ53,95