Geheime Liebe

`De naam Wolkers kwam noch in het telefoonboek van Wenen noch van Wolkersdorf voor.'

Jan Wolkers keert terug naar Oostenrijk.

Met een godverlaten knars stond de stoptrein uit Wenen stil langs het perron van Wolkersdorf. Onontkoombaar moest je denken aan het gedicht van Gerrit Achterberg Hulshorst, als vergeten ijzer/ is uw naam, binnen de dennen/ en de bittere coniferen,/ roest uw station;/ waar de spoortrein naar het noorden/ met een godverlaten knars/ stilhoudt, niemand uitlaat... Alleen mijzelf dan. Aan de andere kant van de spoorbaan bloeide tussen het stoffig vuil zoveel blaassilene dat het een botanist in vervoering zou brengen ware het niet dat het dorpsgezicht dat zich achter het hekwerk aan het oog ontrolde een zo godvergeten treurige indruk wekte dat het een domper was op ieder feestboeket. Rechts van de spoorbaan was een kleine fabriek waarop in grote zwarte letters RAIFFEISEN-LAGERHAU WOLKERSDORF stond. Eronder was op de lichte muur een graffito in dorpse stilering aangebracht van een jong gezin voor een kerk waarboven een stralende zon opkwam. Eronder stond SONNE IST LEBEN-ERDE IST KRAFT. Op een doodlopend spoor naast het gebouw stond een tankwagon waarvan de roestbruine kleur deed vermoeden dat er niet veel gezonds in zat. Het was doodstil, er was geen sterveling te zien.

Toen ik het station uitliep, dat niet veel meer was dan een afdak boven wat banken, bleek er op het stationsplein een houten cafetaria te zijn. Toen ik naar binnen ging stonden er achter een kleine toonbank twee dikke vrouwen die er minder ruimte hadden dan de zeugen bij ons. Hun blote roze bovenarmen waren zo kolossaal dat een gewichtheffer, had hij zulke dijen, olympisch goud binnen handbereik zou hebben. Bij een van hen sproot wat hoogblond okselhaar naar buiten tussen het opbollende marsepein, zodat het op het onderlichaam van een jong meisje leek, waarover ik eens iemand hoorde zeggen, `Die kan nog kiezen of ze er haartjes of veertjes op wil hebben'. Het zal geen verwondering wekken dat ik aan het vruchtbaarheidssymbool uit het Paleolithicum moest denken dat indertijd in deze contreien is opgegraven. De Venus van Willendorf. Maar die is maar elf centimeter. Toen ik een broodje wilde bestellen viel mijn oog op een bord waarop als speciale aanbeveling PFERDELEBERKÄSE! stond. Ik deinsde terug als een hengst die niet genoeg ruimte heeft om een dubbele oxer te nemen. Ik wilde me zelfs geen kop koffie laten inschenken door die vetzuchtige handen die bij het bedienen van een vorige klant waarschijnlijk wel in de paardenleverkaas gezeten hadden. Ik zei dat ik uit Nederland kwam en dat ik daar een keer op de radio, toen er een biografie van Van Beethoven besproken werd, had gehoord dat de componist vaak een weekend op een kasteel in Wolkersdorf bij een adellijke dame doorbracht. Gelijktijdig haalden ze hun schouders op en ik constateerde dat het een eeneiige tweeling was. Ze leken op elkaar als twee druppels gesmolten reuzel. Voor ik wegging zeiden ze nog, bijna unisono, dat ik zelf wel op Van Beethoven leek, zodat ik naar mijn weerspiegeling in de glazen deur keek of mijn haar inderdaad zo heroïsch om mijn hoofd uitstond.

In de trein, op de terugweg naar Wenen, overdacht ik dat een Zurück nach Wolkersdorf er beslist niet in zat. Niet dat ik verwacht had dat de sporen van de karos waarmee Van Beethoven naar zijn geliefde was gesneld als een relikwie beschermd zouden worden of dat er in iedere straat een achternaamgenoot van mij zou wonen die, bij het gerucht van mijn komst aan het begin van de straat een triomfboog van bloeiende gewassen zou hebben opgericht. WILLKOMMEN IN DER HEIMAT! Per slot van rekening zijn er vele honderdduizenden boeken van mij in vertaling in het Duitse taalgebied verspreid en de verfilming van Türkische Früchte heeft anderhalf jaar in Wenen gedraaid. Maar niets van dat alles. De naam Wolkers kwam noch in het telefoonboek van Wenen noch van Wolkersdorf voor. Het enige levende wezen dat ik aanschouwd heb in het dreutelige dorpje was een vrouwspersoon dat niet wist hoe snel ze de gordijnen van de erker moest dichttrekken toen ze mij over het trottoir zag aankomen. Als een achtergebleven soldaat uit een zich terugtrekkend bezettingsleger was ik weer naar het station geslenterd.

Als mijn bezoek aan Wolkersdorf het enige doel was geweest om me met de Amerigo Vespucci naar Wenen te laten vliegen, zou men met een wrang lachje kunnen constateren dat mijn missie, die maar geen bedevaart wilde worden, op een stoffige teleurstelling was uitgelopen. Maar ik had nog een paar andere doelen om naar het land van Wein, Weib und Gesang af te reizen. Om te beginnen een zoektocht naar een postzegel uit mijn jeugd, groenachtig, waarop een heerschap in uniform stond afgebeeld en eronder J. WOLKERS. Natuurlijk schepte ik tegen mijn vriendjes op dat die strenge man met een generaalspet op een onvervalst familielid van mij was. In de treurige jaren dertig was de kans om je een beetje boven de armoede te verheffen niet meer dan postzegelgroot. In de loop der tijd, als ik langs een postzegelhandel kwam of op een postzegelmarkt verzeilde, heb ik steeds naarstig naar die postzegel gezocht. Hij bleef verschwunden in de mist der tijden terwijl ik hem zo helder voor me zie dat ik de karteltjes kan tellen.

Toen ik uit Wolkersdorf kwam liet ik me meteen met een taxi naar de grootste postzegelhandel van Wenen rijden, waar de eigenaar wel een halfuur allerlei catalogi ging bestuderen. Toen ik hem zei dat het ook nog een Tsjechoslowaakse postzegel kon zijn begon hij smadelijk te lachen en zei, dat hij zelf een Tsjech was en dat je veel van zijn landgenoten kon zeggen maar niet dat ze ooit een geüniformeerd personage op een postzegel zouden zetten. Nee, zelfs soldaat Schweik niet.

Noch Wolkersdorf, noch een bestaande of vermeende postzegel met een geüniformeerde achternaamgenoot van mij erop, waren het hoofdmotief voor mijn vlucht naar Oostenrijk. Dat was een bezoek aan het Kunsthistorisches Museum in Wenen om vooral één schilderij te bekijken. De Jagers in de Sneeuw van Pieter Bruegel. Het klinkt ongelooflijk, maar meer dan vijfenveertig jaar geleden was ik er al op weg naartoe geweest. Vanuit Salzburg. In 1954 had ik een studiebeurs gekregen voor de door Oskar Kokoschka gestichte Internationale Sommerakademie für Bildende Kunst, waar ik bij Manzù in de boven het stadje op een rotsmassief oprijzende Festung Hohensalzburg mijn studie in de beeldhouwkunst min of meer ging afronden. Als model hadden we er een jonge danseres uit München, Inge, een entzückendes schepsel bij wie door de strenge oefeningen aan de barre het mollige jongemeisjesvlees nog allerminst tot gestileerd gratenpakhuis was verworden. Je zou Franz Schubert willen zijn om het lied van haar verschijning te componeren. Je hield je adem in als ze in de pauze, met een linnen doek om haar egelantierenhuid geslagen, bij de leerlingen langsging om te kijken wat ze van haar gewrocht hadden. Vaak sloeg ze haar ogen neer alsof ze wilde verbergen dat de aanblik van klei die niet bezield wordt door een meesterhand, klei blijft. En je hield je zeer koest want het is een ongeschreven wet dat de kunstenaar zich slechts professioneel met het naaktmodel inlaat. Aanvankelijk ontstaan uit armoede natuurlijk, een naaktmodel is duur en zelfs een quick lay kan behoorlijk in de papieren gaan lopen want je ontkomt toch niet als schoonheid minnend kunstenaar aan een nagenietend verwijlen. Maar ook omdat al werkend, je eventuele genitale interesse naar je geniale aanleg, indien aanwezig, verschuift. En om de vrouwelijke kwetsbaarheid in die situatie, hoor ik de femelaar zeggen. Het zij zo.

Een paar dagen voor de studietijd afgelopen was en er alleen maar opgeruimd werd en de naar zwammen stinkende kleipoppen, die zelfs geen schim van haar schoonheid uitstraalden, afgebroken werden en in de kleibak verdwenen, kwam ik haar tegen terwijl ik op weg was naar het station om in Wenen De Jagers in de Sneeuw van Bruegel te gaan bekijken. Ze ging naar de bioscoop waar de film met Doris Day draaide die in het Duits Geheime Liebe heette. Ze had een strakke lichtblauwe jurk aan met een swingend rokgedeelte om haar knieën. Ze was te mooi om alleen rond te lopen tussen die Oostenrijkers in Lederhosen, die altijd weer zeiden als je gebruind van een zondag in de bergen terugkeerde, dat het wel leek of je met verlof uit Afrika kwam, omdat hun broers of vaders of zijzelf in het Afrikacorps van Generaal Rommel gediend hadden. Ze liet duidelijk blijken dat ze me wel mocht en vroeg of ik met haar meeging naar de film. Wie zou de jagers in de sneeuw, zelfs geschilderd door Bruegel, bij zo'n uitnodiging niet als sneeuw voor de zon laten verdwijnen. Het was te warm om naar de film te gaan. Alleen voor in de zaal zaten een paar bezoekers. Ik had voor ons logeplaatsen genomen die in een pastelkleurige schelpvormige constructie zaten alsof je op de kermis was. Met Straussachtige zwier leken ze ontworpen voor verliefden die hun handen niet thuis zouden kunnen houden. Voor de film begonnen was, was onze kleding al naar alle kanten opgeschort. We zweetten zo erg dat ik me afvroeg of de lens van de projector die vlak boven ons zijn lichtbundels de zaal in schoot er niet van zou beslaan. Haar oksel werd een kommetje vocht. Het smaakte net zoals het water uit de bergbeekjes dat langs de hellingen in de omgeving van het stadje stroomde, waarbij je, als je zo'n handje opschepte, altijd op moest passen dat je geen larf van een vuursalamander mee naar binnen slurpte. Ik heb geen beeld van de film gezien. Alleen hoorde ik zo nu en dan de kittige keukenmeidenstem van Doris Day. En zij bleef maar bij iedere kus en streling geheime Liebe kreunen. Ik was alleen bang dat plotseling het licht aan zou gaan en dat we als de Adam en Eva van Masaccio uit het paradijs verdreven zouden worden. Maar geen engel met vurig zwaard vertoonde zich. De appel der begeerte werd met klokhuis en al verslonden.

Toen we met knipperende ogen tegen het felle zonlicht uit de duisternis naar buiten kwamen, zij met een gekreukelde jurk als een vlinder die net uit de pop gekomen is en haar vleugels nog moet oppompen, moest ze ineens weg. Ik drong niet aan om ergens nog iets te gaan drinken. Manzù had die avond alle leerlingen uitgenodigd voor een afscheidsmaal in een kasteelachtig restaurant en ik twijfelde er niet aan dat ik haar daar weer zou zien. Misschien wel als eregast, want iedereen was het er over eens dat ze niet alleen een beeldschoon maar ook een voorbeeldig model was geweest. Maar de eregast bleek ikzelf te zijn want Manzù had me de eerste prijs gegeven. Na een korte speech in het Italiaans overhandigde hij met de Frequentationsbestätigung waarop hij in zijn fraaie maar bijna onleesbare handschrift geschreven had dat ik een buitengewoon temperament had voor de beeldhouwkunst. En een envelop met inhoud, want aan de prijs, waarvan ik niet eens wist dat hij bestond, was ook een geldbedrag verbonden. In ieder geval klonk er een welgemeend applaus op van mijn medestudenten en werden de glazen geheven. Ik moet een nogal afwezige indruk gemaakt hebben, alsof ik overrompeld was door die prijs. Maar het enige dat me bezighield was Inge. Ik kon haar lieflijke gestalte niet ontdekken tussen de studenten die op het door fakkels verlichte voorplein aan lange tafels zaten die overladen waren met schalen asperges, schijven ham, salades, gebraden forellen en een overdaad aan druiven, verse vijgen en ander fruit. Onder het eten kreeg Manzù, die ik niet anders kende dan verlegen, iets jongensachtig uitgelatens. Hij ging wonderbaarlijke plastieken in elkaar knutselen van de voorhanden heerlijkheden. Visgraten werden rechtop gezet en voorzien van vleugels van slablad, asperges werden bleke reptielen met poten van olijven. Even later was iedereen uit ham en asperges en druiven wonderlijke gestalten aan het creëren. En ik moet zeggen dat de resultaten vaak heel wat fantasierijker en smakelijker waren dan hun wrochtsels van klei. Oostenrijkers bleken geboren pastei- en taartenbakkers. Ik durfde niet te vragen waar Inge was. Een kunstenaar die na het werk op zoek is naar het naaktmodel heeft niet veel goeds in de zin. Van al die kostelijke spijzen kon ik geen hap door mijn keel krijgen. Ik voelde me of iemand ergens de Mondscheinsonate was gaan spelen.

Toen ik beladen met schetsen en kleine studies in klei en gips op mijn atelier in Amsterdam terugkwam, had ik niet veel tijd om over die geheime liefde na te denken. Ik kreeg mijn eerste opdracht. Een beeld voor een schoolplein in Slotermeer. Maar als ik mijn tekeningen van tijd tot tijd doornam en ik kwam aan de schets die ik van haar lieflijk hoofd gemaakt had en die sprekend leek, kon ik het niet laten mijn lippen op die mooie mond van haar te drukken, zodat die tekening op den duur, hoewel hij gefixeerd was, voor de kunst verloren ging. Een paar jaar na Salzburg kreeg ik van een vriend die op vakantie was in Italië een ansichtkaart met een bronzen vrouwenportret erop. Maar dat is Inge, dacht ik. En dat is onmiskenbaar het werk van Manzù. En ja hoor, op de achterkant stond het. Ritratto di Inge. Giacomo Manzù. Ik stond perplex. Ik vroeg me af of ze al een verhouding met hem had toen ze met mij naar de bioscoop ging en dat ze daarom steeds `geheime Liebe' had gestameld. Ik kon het me niet voorstellen. De verlegen professor en het naaktmodel. Meer dan tien jaar later kwam de oplossing toen Manzù een opdracht had gekregen om de deuren van de St.-Laurenskerk in Rotterdam te vervaardigen. Er verscheen een boek met ontwerpen en tekeningen en een korte levensschets van de beeldhouwer. En daarin stond dat een piepjonge leerlinge van de balletschool in München die model gestaan had op de Sommerakademie in Salzburg, Inge, met hem meegegaan was naar Milaan om voor hem te poseren en dat ze later zijn onafscheidelijke levenspartner was geworden. Op bijna alle tekeningen en ontwerpen zag je dat hij haar als model gebruikt had. Ze moet een soort ijkpunt voor hem geweest zijn. Voor mij was ze een onvergetelijke herinnering en er de oorzaak van dat ik pas een halve eeuw later De Jagers in de Sneeuw zou bezichtigen.

In het Kunsthistorisches Museum liep ik, als Raketman van Kamagurka, als een schicht tussen al de drentelende kunstliefhebbers door, recht op mijn doel af. Ik had de plattegrond van het museum bestudeerd en wist precies waar De Jagers in de Sneeuw hingen. Daar was de Bruegelzaal al. Wat schitterend! De Duistere Dag en De Terugkeer van de Kudde, ik kon ze wel dromen, want ik had talloze malen de reproducties ervan bewonderd. Maar dat kwam later. Jachtig liep ik door. Het leek wel of de hartstocht van die hete middag in de bioscoop in Salzburg bezit van me had genomen. Het bleek onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daar was het, half zichtbaar door glans want het hing achter glas. Ik zag mijn weerspiegeling over de duizelingwekkende verte van bevroren water en besneeuwde rotsige hellingen. Je moest een beetje met je aanwezigheid manoeuvreren om het schilderij in zijn geheel te kunnen zien. Het ijsgroen van het ijzige bevroren water dat ook de kleur van de lucht was, alsof je weg kon schaatsen van de kleine plassen tussen de sneeuwbedakte boerenhoeven door en over de heuvels de oneindigheid in. De linkeronderhoek van het doek was een legpuzzel van hondenlijven tegen het vuile wit van de sneeuw. Met de jagers die sompig voortschreden waren ze opgenomen in een trieste stoet, want de buit was schraal. De besneeuwde helling naar het dal hield zo abrupt op dat je dacht dat de jagers met honden en al weg zouden zakken in de witte vergetelheid als een droombeeld en dat de figuurtjes van schaatsers in de diepte zouden bevriezen tot stilstand. Op de uiterste voorgrond, ongeveer in het midden, was een besneeuwd braambos, waarover William Carlos Williams in zijn gedicht `The Hunters in the Snow' schreef, a winter-struck bush for his/ foreground to/ complete the picture. Maar als je verzonken in de winterse kilheid lang naar het schilderij keek, voelde je dat het ook nog een symbolische betekenis had, ook al hoefde de schilder daar geen weet van gehad te hebben. Kunstenaars gaan er nogal eens prat op dat ze maar wat aanrotzooien. Het braambos waarin God zich als een vuurvlam openbaarde zonder dat de takken verschroeid werden, was door de sneeuw uitgedoofd. Alleen links op het schilderij werd het vuur nog gebruikt om de borstels van een varken af te schroeien. De eenzaamheid was ver onder nul. Zoals in een tekst bij het schilderij stond, Der Jahreszeitenlauf ist beendet.