Geen kans om alles goed te maken

In `Het verhaal' beschrijft Ed van Thijn de persoonlijke geschiedenis die hij tot nu toe alleen aan Jacques Presser had verteld. Over hoe oorlogservaringen hun stempel drukken op een mens, en op een politieke loopbaan.

`Als iemand, die noch op politiek, noch op wetenschappelijk of artistiek gebied een eerste plaats heeft ingenomen, met zijn memoires naar buiten treedt, is het niet ongegrond de publicatie zijner herinneringen aan ietwat ijdelheid toe te schrijven.' Deze zin ontleen ik niet aan het voorwoord van Ed van Thijns recent verschenen memoires, maar aan die van zijn illustere voorganger Sam de Wolff (1878-1960). In 1954 publiceerde deze gezaghebbende joodse sociaaldemocraat zijn levensverhaal Voor het land van belofte. Nog altijd geldt dit boek als een schoolvoorbeeld van politieke memoires. Niet alleen wordt er een boeiend tijdsbeeld in opgeroepen, De Wolff slaagde er tevens in om te laten zien hoe sterk zijn persoonlijke geschiedenis zijn politieke ontwikkeling heeft beïnvloed.

Van Thijn noemt in Het verhaal Sam de Wolffs memoires niet als inspiratiebron. Toch vertonen beide boeken veel overeenkomsten: ze zijn allebei geschreven om politieke keuzes te verklaren en in een aantal opzichten te rechtvaardigen. Geen van tweeën heeft, zoals de Wolff het noemt een eerste plaats ingenomen. De Wolff niet omdat hij van nature een oppositieman was, Van Thijn niet omdat hij zich altijd schikte in de rol van `tweede man' en zich conformeerde aan wat van hem werd verwacht en verlangd. Misschien maakt de reflectie op dit tekort, nooit echt de top gehaald hebben, beider memoires juist zo interessant. Wat bij beiden de doorslag gaf om politieke herinneringen te schrijven, is dat het hun uitdrukkelijk is gevraagd. En, het kan haast geen toeval zijn, in beide gevallen was het de historicus Jacques Presser die opperde dat ze hun levensverhaal te boek zouden stellen.

Diep gaan

Niet alleen was Presser een inspirerend hoogleraar aan de sociale faculteit van de Universiteit van Amsterdam toen Ed van Thijn daar in de jaren vijftig politicologie studeerde, belangrijker was dat hij de onzekere joodse jongen uitnodigde om – ten behoeve van Ondergang, zijn boek over de jodenvervolging – te vertellen hoe hij als jongetje de oorlog was doorgekomen. Dit was het verhaal dat hij nog nooit aan iemand kwijt had gekund. `Ik praatte zeker twee uur achtereen. Presser, die me niet een keer onderbrak, schreef alles op terwijl de tranen over zijn wangen biggelden. Na afloop keek hij me indringend aan, en zei: ``U moet dat verhaal opschrijven.'''

`Dat is goed', antwoordde Ed van Thijn, niet beseffend wat hij beloofde. Een politicus moet diep gaan, zou eigenlijk literator moeten worden, om de ellende van een jeugd in volle omvang en zonder larmoyant te worden over het voetlicht te brengen. Van Thijn is geen literator, maar ziet wel kans op ingehouden wijze te melden wat hem als joods oorlogskind overkwam: van onderduik- naar onderduikadres gesleept, een keer in een gevangenis en twee keer in Westerbork beland. Nog moeilijker moet de auteur het hebben gehad met het deel van het verhaal dat op de oorlog volgt: familieleden en vrienden vergast, vader en moeder totaal uit het lood als gevolg van alle doorstane angst en ellende, een antisemitische omgeving, kille medeburgers die in het beste geval vinden dat je `van geluk mag spreken' dat je nog leeft.

Eddy van Thijn, enig kind van door de oorlog zwaar aangeslagen ouders, was, om met Ischa Meijer te spreken, het jongetje dat alles goed moest maken. Maar evenmin als Meijer kreeg hij daar de kans voor. Gruwelijk maar waar: door zijn ouders werd Eddy psychisch evenzeer mishandeld als door de bigot katholieke mensen bij wie hij als onderduikkind zijn tiende verjaardag doorbracht. Hij kreeg geen cadeautje, geen traktatie, zelfs geen Lang zal hij leven, omdat, zoals de heer des huizes opmerkte, katholieken niet aan verjaardagen doen, `wij doen alleen aan naamdagen'. Deze verjaardag, vertelt Van Thijn in Het verhaal, liet een groot litteken achter.

Zijn elfde verjaardag werd wel gevierd, in vrijheid, thuis. Maar ja. In een van de briefjes die hij uit Westerbork aan zijn ouders schreef, had hij een wens voor de toekomst geuit: `Ik wou zo heel heel heel graag een heel klein jong hondje hebben dat later een grote hond wordt.' Hij krijgt dat hondje, Flippie, maar als hij na school met al zijn vriendjes naar huis rent om het beestje te laten bewonderen is Flippie alweer afgevoerd, omdat hij niet zindelijk is.

Assimilant

Het wordt allemaal nog erger: astma-aanvallen verpesten Van Thijns schooltijd, zijn ouders gaan scheiden en spelen het kind tegen elkaar uit. Intussen is er altijd de oorlog, waar alles aan wordt afgemeten. Als moeder Van Thijn haar onhandelbare zoontje een elektroshock laat toedienen (zonder narcose), bedenkt hij dat de Duitsers hem hebben geïntimideerd, maar geen haar hebben gekrenkt. `En nu, drie jaar na de bevrijding word ik alsnog gemarteld. Door een Nederlandse witjas, in aanwezigheid van mijn moeder.'

Tussen Ed en moeder Van Thijn, die zich na de oorlog Selma in plaats van Sara liet noemen, zou het nadien niet meer goed komen. Hun vertroebelde relatie – zij in de slachtofferrol, hij wanhopig worstelend om daaraan te ontsnappen – loopt als een rode draad door Het verhaal. Zij en Eds in zaken succesvolle vader dachten dat ze het kind beschermden door hem een joodse opvoeding te onthouden. Hij ging naar een christelijk lyceum en moest zich gedragen als een voorbeeldige assimilant. Intussen waren alle vrienden van zijn ouders joods, was de sfeer waarin hij opgroeide joods en werd hij op grond van zijn uiterlijk regelmatig geconfronteerd met antisemitisme. Zo ontwikkelde hij zich tot een gefrustreerde, onzekere adolescent die op jacht ging naar (zelf)respect en er een leven voor nodig zou hebben zijn identiteit te ontdekken.

Zijn jacht op erkenning is het hoofdthema van Het verhaal. Over wat daaraan ten grondslag ligt (de oorlog, de schrijnende terleurstellingen erna) is Van Thijn ingehouden, sober, alsof we aan een paar indringende beelden genoeg moeten hebben. Zulke tragedies zijn immers al zo vaak verteld, hoor je de schrijver denken. Minder bekend en zelden zo openhartig beschreven is, hoe dergelijke ervaringen hun stempel kunnen drukken, niet alleen op een persoon maar op een politicus.

Van Thijn, voormalig Tweede Kamerlid, burgemeester van Amsterdam, minister en nu lid van de Eerste Kamer heeft zijn stinkende best gedaan in de PvdA. Zijn Dagboek van een onderhandelaar over de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl en Retour Den Haag over zijn kortstondige ministerschap van Binnenlandse Zaken zijn nog altijd lezenswaardige getuigenissen, maar verschaffen geen opheldering over de oorzaken van zijn gedrevenheid. De oorlog, het geworstel met de joodse identiteit, het schuldgevoel jegens degenen die hem het leven gered hebben, de gevoelens jegens zijn ouders die zijn zelfrespect fnuikten, kwamen in die verhalen nog niet uit de verf.

In Het verhaal krijgen we te horen waar zijn diepgewortelde aversie tegen discriminatie op stoelt, en hoeveel tijd, moeite en zelfverloochening het hem heeft gekost om daar daadwerkelijk tegen in verzet te komen. Zijn hele politieke carrière, begonnen in het studentencorps en bij de Wiardi Beckman Stichting onder leiding van Joop den Uyl is er een geweest van aanpassing aan verwachtingen van anderen. Den Uyls wil was wet, schrijft hij letterlijk. Pas in 1971, nadat het debat over de Drie van Breda hem met zijn neus had gedrukt op het feit dat ook hij een oorlogsslachtoffer en dus partij was in deze kwestie, besluit hij voortaan politiek vanuit zijn eigen `ik' te bedrijven. `Mijn jood-zijn', schrijft hij, `was daar een essentieel onderdeel van. Voortaan zou ik een joods politicus zijn, een politicus die zich zijn jood-zijn bewust is en daar ook openlijk vooruit komt.'

Misschien is deze late coming-out wel het belangrijkste verschil tussen de oppositionele Sam de Wolff die altijd al een joodse socialist was en de volgzame Van Thijn. Door zijn drang naar erkenning kon Van Thijns politieke carrière gladjes en succesvol verlopen. Zijn neiging tot aanpassing aan het partij-establishment (hij sloot zich bijvoorbeeld niet aan bij Nieuw Links) werd beloond, hij kreeg mooie functies toebedeeld, maar intussen lijkt het erop dat hij regelmatig tegen zijn overtuigingen in moest handelen

Maagdenhuisbezetting

Typerend in dat opzicht is zijn beschrijving van de Maagdenhuisbezetting in 1969. Van Thijn trad als fractievoorzitter van de PvdA in de Amsterdamse gemeenteraad op als bemiddelaar tussen burgemeester Samkalden en de bezetters. Tot hij op een dag door de hoofdcommissaris van politie Jong en rector magnificus Belinfante voor het politiekordon werd tegengehouden. Verontwaardigd schrijft Van Thijn dat de politiecommissaris zonder medeweten van burgemeester Samkalden het bevel gaf om tot ontruiming over te gaan. Als dat waar is, lijkt het me een onthulling, maar het is ook denkbaar dat Van Thijn zich gewoon door Samkalden in de luren heeft laten leggen. Uit de memoires van Ton Regtien (Springtij, 1988) blijkt dat de bezetters Van Thijns rol nooit vertrouwd hebben en die van Samkalden (`met de ene hand had hij ons uitgenodigd tot onderhandelen, met de ander had hij traangas naar binnen laten gooien') nog minder.

Naïef is een woord dat sinds lang op de politicus Van Thijn van toepassing is. Het mooie van dit, ondanks alle zelfrechtvaardiging, oprechte levensverhaal, is dat we kunnen begrijpen waar die naïviteit uit voortkomt. Verzetsheld wilde hij worden, zijn vader en iedereen die hem de oorlog had doorgesleept evenaren. Maar in de jaren zestig, toen anderen zich met de nodige bombarie als na-oorlogse verzetshelden opwierpen, kon hij niet anders dan gezagsgetrouw voortgaan op een uitgestippelde weg naar de top, die hij als brave politicus per se moest bereiken. Dat was zijn lot, de last die hij droeg, en die hij met Het verhaal eindelijk van zich lijkt te hebben afgeschud.

Ed van Thijn: Het verhaal. Meulenhoff, 191 blz. ƒ34,90