Een uitgewapperde vrijgezellensok

`Brieven' luidt de ondertitel van de derde dichtbundel van Marc Kregting. Die typering geldt in ieder geval voor het middendeel van Hakkel je, hakkel je; een onmiskenbaar epistel, met datum, aanhef en ondertekening. Maar de eenendertig gedichten en het epyllion die het middendeel omringen kun je met de beste wil van de wereld geen brieven noemen.

Kregting houdt blijkbaar van vermenging van genres. Zijn tweede dichtbundel, Kopstem (1997), verscheen in één band met de verhalenbundel Stopnaald, en ook in zijn debuutbundel De gezel (1994) was de grens tussen poëzie en proza niet scherp getrokken. En om de verwarring compleet te maken: de achterplattekst van Hakkel je, hakkel je betitelt de eerste afdeling van die bundel als `memo's'.

Net als bij een fles wijn gaat het ook hier natuurlijk niet om het etiket, maar om de inhoud. Sinds de twintigste eeuw is het enige echte onderscheid tussen poëzie en proza bovendien slechts een verschil van regelval. Bij proza bepaalt de zetter waar een regel ophoudt, en bij poëzie doet de dichter dat. De poeet heeft dus alle vrijheid, en Kregting neemt die. Ook in zijn taalgebruik en syntaxis stelt hij eigen regels. `Opus Pocus' heet een van zijn nieuwe gedichten, en de inhoud past wonderwel bij die titel:

Je wilt luisteren maar het bad loopt

te hard. Veel te bladeren is er dan

ook aan het plafond. Eerst maar eens

uitwapperen die vrijgezellensok, vier

betovering rond je heen. Ziezo, klaar.

Zijn is wezen waar je was, de zestien

frontjes in. De luimslag: je slobbert

chocolade door aderen. Straks willen

je crêpes om. Het is al bijna feest.

Dit vers is typerend voor Kregtings stijl. De lezer krijgt minimale verwijzingen naar de aanleiding en achtergronden van zijn poëzie. De communicatie is dan ook minimaal.

In de literatuurwetenschap heet de stijlfiguur die Kregting in zijn werk hanteert `de autonome metafoor'. Er wordt vergeleken, maar het object van de vergelijking ontbreekt; het beeld wordt zonder referenties gepresenteerd. Lucebert was er een meester in, getuige regels als `Van de bittere suikerbergen in de moederborst / zijn de met lippen beladen vogels opgevlogen'. Maar wat moet je zonder referentiekader met `De vroedvrouw speelt met wat ze vond bij de haag. / Die ze kende toen er broodwinning was' en soortgelijke regels bij Kregting?

Toegegeven: Lucebert werd in zijn eerste dichtersjaren ook niet door iedereen als meester herkend. Daarvoor was zijn werk te `duister'. Maar, zoals Gerard Diels al in de jaren veertig en J.H. de Roder onlangs in Het schandaal van de poëzie betoogden: ook van een moeilijk toegankelijk gedicht kun je genieten, zelfs al begrijp je het niet helemaal. Ritme en klank kunnen, ook als de taal niet communiceert, het binnenoor van de lezer raken.

Maar aan ritme en klank schort het nogal in Hakkel je, hakkel je. De bundel is grotendeels een lofzang op de composities van Jaco Pastorius, bijgenaamd `de Paganini van de elektrische bas'. Van het loflied op zo'n idool van de jazz-rock zou je ook poëtisch muzikaliteit verwachten, maar Kregtings verzen hakkelen van punt naar punt, zoals in `Reza':

De cake is roze. Je praat

het ateliermeisje na, zij

in de gang met gipskruid.

Bittere amandelen krimpen

naar je keel – het winket

hullend uit. Wat maakt zo

zorgvuldig rotzooi open,

verkruimelbaar. Helpt dan

een kartonnen strooimond.

En opnieuw is er geen of amper een referentiekader voor de lezer. Mijn tocht naar de cd-handel bracht geen uitkomst. Ook nadat ik driemaal `Reza', `Teen Town' en `Teresa' in Pastorius' eigen uitvoering had beluisterd, en vervolgens Kregtings gelijknamige gedichten op de tonen van die muzieknummers had proberen te lezen, bleef mijn binnenoor doof.

Als er iets in Hakkel je, hakkel je te beleven valt, dan komt dat door Kregtings eigenzinnige taalgebruik. Zijn woordkeus is op z'n minst uitdagend en vraagt om gebruik van het woordenboek. Archaïsche begrippen als `winket' en `klauwengang', maar ook eigen fabrikaten als `luimslag' en `handspraakloos' flonkeren her en der in zijn verzen. Nu, als revérence naar de lezer, nog een helder referentiekader graag. Want al zegt een beetje dichter net zoals Jan G. Elburg `Ik hoop dat ik stoor', het kan geen kwaad wanneer de golflengte van een vers ook bij lezing te ontvangen is.

Marc Kregting: Hakkel je, hakkel je. Prometheus, 76 blz. ƒ24,25