De vrije markt blijkt niet altijd een panacee

Wat hebben de betogers van Seattle en de blokkerende truckers gemeen? Zij zijn in verzet gekomen tegen de pretenties van de democratische vrijemarktpolitiek. Die pretenties houden in: een evenwichtige verdeling van de rijkdom zonder dat collectieve goederen als een duurzaam klimaat daaraan worden opgeofferd. De Azië-crisis en de jongste oliecrisis tonen aan dat de regeringen die pretenties niet kunnen waarmaken omdat zij nu eenmaal niet alle factoren die hun beleid beïnvloeden kunnen beheersen. De democratische vrije marktpolitiek was een reactie op het falen van de geleide economie. De gedachte was dat wanneer maar eenmaal op wereldschaal het vrije spel der krachten een kans kreeg, het oude probleem van de verdeling van de schaarste zich als vanzelf zou oplossen. Als dat vraagstuk eenmaal uit de weg was geruimd, zou eveneens als vanzelf de burgerlijke democratie zich vast in de wereld wortelen. Slechts de resterende verveling bleef een weeffout die nog voor moeilijkheden kon zorgen.

De betogers van Seattle en de blokkerende truckers menen de verantwoordelijken te hebben gevonden. De betogers keren zich tegen internationale organisaties als het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, de truckers tegen hun nationale regeringen. Maar achter het IMF en de bank gaan dezelfde regeringen schuil; beide volgen de consensus die deze regeringen met elkaar hebben bereikt. Daarentegen wordt een gezelschap als de OPEC, een kartel van olieproducerende landen, ongemoeid gelaten – zoals onlangs in Wenen bleek. De betogers van Seattle zien in het kartel waarschijnlijk een bondgenoot in de strijd om de macht in de wereld, voor de truckers was dit mogelijk een station te ver. In Wenen kon slechts een conferentie worden verstoord, thuis kon de samenleving worden lamgelegd.

Een aantal aannames onder de consensus bleek niet te kloppen. In Azië was veel werk gemaakt van de zegenrijke rol van het particuliere kapitaal, dat de ouderwetse hulpverlening verre overtrof. Het verschil in ontwikkeling tussen Afrika en de jonge Aziatische tijgers werd daarop teruggevoerd. Maar toen het particuliere kapitaal even snel uit Azië werd terugtrokken als het beschikbaar was gesteld, bleven de getroffen landen als gestrande potvissen achter. Ook al tracht men nu over te gaan tot de orde van de dag, feit blijft dat de ontsporing niet was voorzien. Vele tientallen miljoenen heeft zij het zicht op een beter leven ontnomen.

De lessen uit de oliecrises uit de jaren zeventig zijn daarentegen wel degelijk geleerd. Met energie wordt in industrie en huishouden doelmatiger omgesprongen dan twintig, dertig jaar geleden het geval was. Maar dat heeft de onevenwichtigheden van het moment niet kunnen voorkomen. De verantwoordelijkheid wordt gedeeld. De OPEC en de olie-industrie krijgen, net als in de jaren zeventig, het verwijt een kartel te vormen. De regeringen, en dat is nieuw, zouden te veel belasting heffen. Als andere oorzaken worden genoemd: de aanhoudende vraag in het Westen als gevolg van de ononderbroken economische groei en het achterblijven van de investeringen in oliewinning en raffinage als gevolg van de jarenlange malaise in de oliesector. Economen noemen dit een variant van de varkenscyclus: hoge prijzen leiden tot overschotten, die tot lage prijzen, die tot krimp, die tot hoge prijzen, en zo verder.

Stond in de jaren zeventig met het rapport van de Club van Rome de eindigheid van grondstoffen in het middelpunt van de belangstelling, nu staat de oliecrisis voor nog andere knelpunten. Het energieverbruik belast het klimaat, de ruime beschikbaarheid van energie bevordert de mobiliteit, de meest verpestende vorm ervan, het verkeer over de weg, in de eerste plaats. Hoewel de verbrandingsmotor in de loop der jaren efficiënter en milieuvriendelijker is gemaakt, zorgt de toename van het wegverkeer voor een groeiende belasting van het wegennet, het klimaat en van de economie als geheel. Maar waar de crisis van de jaren zeventig tot bezinning leidde, daar heeft de crisis van nu slechts protest opgeroepen. Te opvallender omdat de negatieve gevolgen van de uitbundige groei in de voorbije jaren alleen maar duidelijker zijn geworden en de bewustwording bij de politiek is toegenomen.

De hoge belastingen op benzine en diesel zijn het aangrijpingspunt voor het protest gebleken. De truckers legden weliswaar de blokkades die de regeringen op de knieën dwongen. Maar de bijval van het, autorijdend, publiek heeft daarbij zeker geholpen. Mogelijk speelde ook een slecht geweten mee: de regeringen hebben tenslotte, in de jaren dat de olieprijs laagstond en de staatskassen moesten worden bijgevuld, niet geschroomd de buit binnen te halen. Onder druk van de groene partijen en de files is men vervolgens tot de conclusie gekomen dat `het zo niet langer kon'. Boven op de hoge accijnzen en de prijsafhankelijke BTW kwamen nog eens de groene belastingen. Dat ging goed totdat `de prijs aan de pomp' boven een voor velen ondraaglijk niveau schoot.

Voorlopig reageren de regeringen zoals zij gewend zijn. In Frankrijk wordt gestudeerd op een soort wiebeltax die het fiscale effect van een stijging van de olieprijs neutraliseert. In Engeland wil men voorkomen dat nog eens een handvol truckers het hele land verlamt. In Duitsland wil de regering de voorgenomen verhoging van de Ökosteuer zien te redden. In Nederland is de hoop gevestigd op zwavelarme diesel, nog nauwelijks beschikbaar, maar toch.

Voorspeld wordt dat na de winter de olieprijs gaat dalen. Dat zou betekenen dat de schok die Europa trof, weer snel zal zijn vergeten en het verkeer vrolijk voortdendert. Het verschil met een maand geleden is dat inmiddels de publieke pijngrens is vastgesteld. Een overheid die overweegt de files terug te dringen en de uitstoot van uitlaatgassen te beperken, zal zich wel tweemaal bedenken alvorens `de prijs aan de pomp' te manipuleren of anderszins het `blij dat ik rij'-gevoel te frustreren.

De democratische vrijemarktpolitiek blijkt, als haar voorgangers, verstoringen van de goede gang van zaken niet te kunnen voorkomen, zelfs niet in een regio waar zij heet te zijn geworteld. Van tijd tot tijd wordt bezorgd toegegeven dat het goed gaat zolang het goed gaat, en de vraag gesteld: maar hoe zal het zijn als het eens tegenzit? De afgelopen weken hebben daarvan iets laten zien. Het publiek toonde zich van zijn populistische kant. De regeringen bleken niet in staat de kiezers van de onvermijdelijkheid van de knelpunten en de noodzaak van het gevoerde beleid te overtuigen. Dat op zichzelf markeerde de werkelijke crisis.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.