Dat was echt een mooie tijd

Ooit stond het woord ten dienste van de revolutie, maar van- daag zijn schrijvers niet meer bang voor commercie. Deel 1 van een serie van H.J.A. Hofland over de zoektocht naar nieuw engagement.

Tot de stuiptrekkingen van de vorige eeuw horen de acties van schrijvers om `de politiek in beweging te brengen'. Niet dat het de ondertekenaars van een open brief of een manifest aan de beste bedoelingen zou ontbreken. Het middel deugt niet meer, dat is het probleem. Schiet met een musket op een straaljager, en je hebt nog een kans. Geef een trap tegen een opgezette olifant en je bent een schrijver/intellectueel die een open brief ondertekent. De Nederlandse literatuur mag zich gelukkig prijzen dat ze schrijvers telt die dit nog eens experimenteel hebben aangetoond.

Een stuiptrekking? Vat het liever op – als u dat wilt – als een late kreet van heimwee naar de tijd van Voltaire (Écrasez l'infame!), Marx en Engels (Een spook waart door Europa), Zola (J'accuse!), Sartre (verzameld werk). Zij zijn de helden uit het simpele sprookje van de intellectueel. Gedachten worden tot woorden, tot revolutie, tot macht. In 1848 verschijnt een dun boekje waarin wordt uitgelegd dat een nieuwe maatschappij in aantocht is. Anderhalve eeuw later is de mensheid de gevolgen nog niet te boven. Het woord is politieke macht.

De macht hoort in dienst te staan van de rechtvaardigheid. Dat is de grondslag voor het verzet van het zelfstandig denkend individu tegen de dictatuur van de priester, de vorst, de kapitalist. Het is de romantisch-rationele overtuiging van de intellectueel dat hij door de kracht van zijn woorden de koning kan onthoofden, de kapitalist naar Siberië sturen, de maatschappij reorganiseren, de definitieve rechtvaardigheid afkondigen.

Vrijwel de hele vorige eeuw hebben de schrijvers die de toon aangaven, partij gekozen voor of tegen ideologisch georganiseerde grootmachten. Laten we niet ontkennen dat het een mooie tijd was. Het grote literaire debat van de twintigste eeuw draait om de politiek, de literatuur was een buitengewest van de hete en de koude oorlogen. Ter Braaks Het nationaal-socialisme als rancuneleer was, in de terminologie van de schrijver zelf, de ontmaskering van het onfatsoen; het Comité van Waakzaamheid te Woudschoten de congregatie van de Nederlandse intellectuele krachten tegen Hitler. `Als wij ons niet met de politiek bemoeien', zei Du Perron, `doet de politiek het wel met ons.'

Na de oorlog voelen de schrijvers en intellectuelen zich onverminderd bij de politiek betrokken, voor of tegen het communisme. Open brieven, manifesten, congressen, de Derde Weg, mantelorganisaties, het vraagstuk van de fellow-travellers, de meelopers. Van McCarthy en de Rosenbergs tot Andreas Baader en Ulrike Meinhof; Daniel en Sinjavski, Franco-Spanje, Pinochet, de kruisraketten, ik noem maar een paar voorbeelden. Het zijn meer dan namen en woorden: sleutelformules die toegang geven tot het grote debat van het Westen. Zoals Sartre ons had voorgehouden: er moet gekozen worden. Wie niet kiest, doet dat ook. Schrijven was kiezen: het engagement. On se jette. Wie gekozen had, deed met het geschreven woord mee aan de oorlog. Ook in het Westen kon dat zelfs gevaarlijk worden.

Onthechting

Toch had je in die tijd ook al mensen die twijfelden aan het effect van de woorden der schrijvers en intellectuelen. Waren ze geen helden zoals beschreven door Erich Mühsam? War einmal ein Revoluzzer, im Zivilstand Lampenputzer. (...) Und sein Revoluzzermütze schob er auf das linke Ohr, kam sich höchst gefährlich vor. De CIA toonde gepaste eerbied voor het woord van Europese linkse intellectuelen, vooral de Franse, de Britse en de Duitse, en gaf daarvan blijk door drie maandbladen te financieren, Preuves, Encounter, en Der Monat. En juist in Encounter is eind jaren vijftig een essay verschenen waarin blijk werd gegeven van de politieke moedeloosheid, of moeten we zeggen onthechting, die nu de belijdenis van menig overigens zo montere, jonge schrijver is. Zijn wij, vroeg deze essayist zich af, iets meer dan een zuchtje lauwe lucht?

De open brief van de veertig schrijvers en intellectuelen over Srebrenica en het sonnet van de Dichter des Vaderlands hebben de openbaarheid niet volgens de wensen van de ondertekenaars bevorderd. Wel is het oude debat over `de plaats van de schrijver in de maatschappij' weer leven ingeblazen. Op de opiniepagina van deze krant (22 juli) geeft Marek van der Jagt blijk van zijn verlangen naar een `gevaarlijke roman' en verklaart hij wat hij daaronder verstaat. Niets in de engere zin van het engagement, wel de roman met een moralistische kern, want wie deze kern ontkent, `begraaft de roman'. Arnon Grunberg antwoordt (27 juli): `Schrijvers, het moet nog maar eens duidelijk gezegd worden, zijn het pauzenummer, en de bar is open, dus de concurrentie is groot.' Sterker: `Het is zeer aannemelijk dat deze wereld eindigt in een groot schouderophalen, zelfs een theatraal einde wordt ons door de neus geboord.' In zijn essaybundel De wijde wereld beschrijft Bas Heijne zijn weerstand tegen de afgeleefde `grote woorden'.

Al eerder had Aleid Truijens in de Volkskrant (26 mei) een scheiding getrokken tussen de pulp van de gelegenheidscommercie en de anderen (die toch ook gedoemd waren te leven in een periode met een schrijnend gebrek aan tien dagen die de wereld schokten). In een tot essay uitgegroeide bespreking van The Experience Economy, door B.Joseph Pine en James H.Gilmore (NRC Handelsblad van 7 juli) geeft Hans Goedkoop een zonnige kijk op de toestand in de literaire wereld van vandaag. Klagen over vervlakking, gebrek aan engagement? Dat is voorbehouden aan somberaars. Commercie is een zegen. `Nooit eerder was er in onze cultuur zo'n ongelofelijke vrijheid, zoveel visies naast elkaar, nog nooit ook werd een kunstenaar zo weinig in de weg gelegd. Een autowrak in een museum, plasseks op een poster, camera's die de privacy doorbreken, mitrailleurs verwerkt tot installaties maakt niet uit. De markt onthoudt zich van een oordeel en vindt alles even mooi, zolang het maar ervaring biedt.'

Ik wil nu vast zeggen dat dit laatste citaat voor mij afgronden van talentloze narigheid opent. Daarover meer in een volgende aflevering van deze serie. Het literaire debat is niet op sterven na dood. Een jaar of tien heeft de literatuur verwilderd om zich heen gekeken, het honderd jaar oude kompas geraadpleegd en ontdekt dat de magnetische pool verplaatst is, buiten medeweten van de schrijvers en intellectuelen. Nu vestigt zich hier en daar het vermoeden dat de nieuwe pool ontdekt is. Maar waar? Het nieuwe debat gaat over de lokalisatie en hoe het kompas dienovereenkomstig moet worden bijgesteld.