Bij pathos meteen stoppen

Zijn performances die hem wereldberoemd maakten, gingen `over intieme pijn, eigenlijk liefde'. Ulay vertelt over zijn werk naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling in Amsterdam.

Het is moeilijk voor te stellen dat deze bedachtzame, grijzende man ooit, begin jaren zeventig, opereerde in de voorhoede van de `auto-mutilatie kunst'. Hij sneed bijvoorbeeld met een stanleymesje zijn vingertoppen open en probeerde met bloed een brief op de muur te schrijven. En toen zijn vriendin hem had verlaten en alleen een paar hooggehakte laarsjes had achtergelaten, probeerde hij zijn voeten op maat te snijden zodat hij in haar schoenen, maat 38, zou passen. Ulay (pseudoniem voor Uwe Laysiepen, 1943, Solingen) was zich er niet van bewust dat hij een exponent was van een nieuw kunstgenre. Hij voerde de handelingen, die hij vastlegde op polaroid, thuis uit, zonder publiek – anders dan bijvoorbeeld, in dezelfde tijd, de Wiener Aktionisten, die openbare acties hielden en daarbij met hun zelfverwondingen veel verder gingen dan Ulay.

Vanaf 1975 deed Ulay ook performances. In Galerie 't Venster in Rotterdam bevestigde hij grote spiegels, die hij op maat in stukken gesneden had, aan zijn naakte lichaam, van zijn voeten tot aan zijn hoofd. Zijn armen waren op de rug gebonden en op zijn hoofd droeg hij een helm van spiegelglas. Staand voor het publiek zwaaide hij, ogend als een astronaut in zijn loodzware spiegelpak, langzaam heen en weer, vijftien minuten lang, totdat hij zijn evenwicht niet langer kon bewaren en plat op zijn gezicht neerviel op de spiegels.

In 1976 ontmoette Ulay de performance-kunstenaar Marina Abramovic. Zij werden verliefd en zouden tot 1988 samenwerken; hun performances maakten hen wereldberoemd. Met deze performances gingen zij keer op keer tot aan de grens van hun uithoudingsvermogen, waarbij zij tegelijkertijd hun publiek uitdaagden. Zo stelden ze zich bij een tentoonstelling naakt tegenover elkaar op in een deuropening; wie naar binnen wilde moest zich tussen hun lichamen heenwurmen. Of zij liepen, naakt, op elkaar toe waarbij zij elkaar bij het passeren eerst vluchtig aanraakten om vervolgens steeds harder tegen elkaar op te botsen, totdat ze door uitputting niet verder konden. Ulay: ,,De performances met Marina gingen maar gedeeltelijk over pijn. De pijn onderging je niet, je moest mentaal sterk zijn, anders zou het pathetisch worden. Eén van de regels was: zodra het pathetisch wordt, meteen stoppen. Wij wilden iets uitbeelden wat in het dagelijks leven verborgen wordt gehouden, de agressie tussen man en vrouw. De meeste mensen kennen die agressie, maar verzwijgen hem. Wat wij deden was eigenlijk niet bijzonder origineel. Voor Marina was het misschien iets anders, maar voor mij waren het triviale gedragsdemonstraties van man en vrouw, triviaal en normaal, zonder draai van theater.

,,Met die polaroids, begin jaren zeventig, was het iets anders. Hier ging het om een zoektocht naar mijn identiteit. In die tijd begaf ik mij ook in het travestieten-circuit, dat fascineerde mij enorm, ik wilde in die wereld geaccepteerd worden. Ik deed piercings met broches, en tatoeages. Het waren intieme performances, over pijn, niet zozeer een fysieke maar meer een psychische pijn, en eigenlijk gingen ze ook over liefde. Er wordt wel eens gezegd dat die polaroids een vorm van exhibitionisme zijn. Dat is misschien zo. Maar ik deed die acties en het registreren ervan voor mijzelf. Die polaroids waren een soort absurde fotografische administratie. Dat het nu documenten zijn geworden is een ander verhaal. Bovendien heb ik de meeste van die duizenden foto's weggegeven aan mensen die erom gaven. Ik was verbaasd toen Wies Smals (de oprichtster van De Appel, JW) er in 1976 een tentoonstelling van wilde maken.''

Een geruchtmakende actie in Berlijn in 1976 markeerde het einde van Ulay's periode als solo-kunstenaar. In de Nationalgalerie hing prominent het doek Der arme Poet, van de negentiende-eeuwse schilder Carl Spitzweg. Spitzweg was de favoriete kunstenaar van Adolf Hitler, en het schilderij van de arme dichter die hongerend in zijn bed ligt, gold als Duitslands bekendste en meest populaire schilderij. Ulay knipte het ijzerdraad waarmee het schilderij aan de muur hing door, ontvluchtte het museum via de nooduitgang, reed met zijn auto naar een Turkse familie in Kreuzberg, in het oostelijk deel van West-Berlijn waar veel Turken woonden, en hing daar Der arme Poet in de woonkamer op. Hierna belde hij de politie en Dieter Honisch, de directeur van het museum, en vertelde hen waar ze het schilderij op konden komen halen. De Bildzeitung kopte: Linksradikaler raubte unser schönstes Bild. Het was een daad waaruit een vooruitziende blik spreekt, gezien de talrijke uitingen van vreemdelingenhaat jegens de Turken in Duitsland in de afgelopen jaren.

Breuk

Sinds de breuk met Abramovic in 1988 werkt Ulay weer alleen. Hij richt zich vooral op de fotografie. Hij geeft les in Karlsruhe, aan het grootste instituut voor nieuwe media in Europa. Hij is getrouwd met een Chinese vrouw, Soon, met wie hij een 11-jarige dochter heeft.

Tot zijn eigen verwondering is Ulay, als directe erfgenaam van happening en fluxus uit de jaren zestig, in de afgelopen paar jaar uitgegroeid tot een goeroe voor de jongste generatie kunstenaars. Dit bleek ook bij de opening van zijn overzichtstentoonstelling in De Appel in Amsterdam, die druk werd bezocht door kunststudenten en beginnende kunstenaars. Voor deze nieuwe generatie speelt het museum-instituut nauwelijks nog een rol. Zij zoeken met hun werk naar aansluiting met de maatschappij, met de bewegelijke wereld van het heden. Daartoe houden zij performances op allerlei plekken in de stad, zij maken tijdelijke installaties die aan specifieke plekken gebonden zijn, zij proberen een internet-kunst te ontwikkelen enzovoort – kortom, ze willen een life-like art produceren, in tegenstelling tot art-like art.

Ulay: ,,Iedereen heeft problemen met dit soort kunst. Je kan er niet in handelen, je kan het niet bezitten, je kan er in musea niks mee. Daarom is in de jaren tachtig de generatie performance-kunstenaars die toen in opkomst was door mensen als Rudi Fuchs en Benito Oliva (Oliva is de `ontdekker' van de nieuwe Italiaanse schilderkunst, door hem benoemd als 'Transavantgarde', JW), de nek omgedraaid. Maar nu is het klimaat toch aan het veranderen. De nieuwe kunst onttrekt zich aan de commercie en aan de instituten. Musea hebben een bepaalde opgave: conserveren, historische parallellen laten zien, onderzoek doen, en dat met hun eigen middelen. Maar doordat ze tegelijkertijd nog steeds achter de jonge kunstenaars aan blijven hollen doen ze op dit moment het een noch het ander.''

Ulay is in 1943 in een bomkelder geboren in het Duitse Solingen, een stad die beroemd is om zijn Feinstahl, als messen en scharen. ,,Toen wij uit de kelder kwamen lag de stad lag in puin en as. Het was een mooie kleine stad van 100.000 inwoners, gelegen tussen bossen en bergen. Het was fantastisch toen ik leerde lopen en buiten ging spelen: er was geen verkeer, alle puinhopen en bomkelders waren begroeid met groen – de natuur is iets wonderbaarlijks. Een oorlogstrauma heb ik niet. Waar ik last mee begon te krijgen was iets anders. Mijn familie heb ik nooit gekend, mijn grootouders, ooms en tantes zijn allemaal gesneuveld en omgekomen in de oorlog. Mijn vader is op zijn 50ste naar Stalingrad gestuurd en als een van de weinig overlevenden teruggekomen. Hij heeft er nooit over gesproken, mijn moeder trouwens ook niet. Hij overleed toen ik 14 jaar was. Zij hebben een heel mooi huwelijk gehad. Na mijn vaders dood heeft mijn moeder zich teruggetrokken in de Eiffel, bij de grens met Luxemburg. Ze wilde met niemand meer contact hebben, met mij ook niet. De rode draad van de familie was er voor mij dus niet. Daarom begon ik rond mijn 25ste met zoeken naar mijn identiteit.

,,In de jaren zestig deed iedereen in Duitsland een technische of medicijnenstudie, als bijdrage aan de Wiederaufbau. Ik studeerde drie jaar werktuigbouwkunde in Koblenz, maar dat was niets voor mij. Daarna heb ik een handelsopleiding gedaan, in een fotolaboratorium gewerkt, en een eigen zaak opgezet in kleurenfotografie. Met die winkel heb ik veel geld verdiend, maar het was niet wat ik wilde. Ik besloot om naar Praag te gaan, omdat die stad een bijzondere fototraditie heeft en een heel goede film- en toneelacademie. Bij de grens werd ik tegengehouden door de Russen die net Tsjechoslowakije waren binnengevallen. Toevallig kreeg ik een krantenartikel in handen over de Provo-beweging in Amsterdam. Ik ben naar Amsterdam gegaan en voor het eerst kon ik mij met leeftijdgenoten identificeren. Sindsdien heb ik altijd in Amsterdam gewoond. Ik vind het nog steeds een geweldige stad, een werelddorp met een grote behoefte om wereldstad te zijn, een echte mensen-stad, heel kosmopolitisch.

,,Ik heb nog anderhalf jaar fotografie gestudeerd aan de kunstacademie in Keulen, ik reisde heen en weer tussen Amsterdam en Keulen. Maar ook die opleiding heb ik niet afgemaakt. Toen was ik dus een halve ingenieur, een halve zakenman, en een halve fotograaf. Ik heb er een streep onder gezet en ik ben met die polaroids begonnen, als een zoektocht naar mijzelf.''

Naakte vrouwen

In Het Domein in Sittard zijn recente fotowerken van Ulay te zien, grote vellen met opkrullende randen, nonchalant op de muur geprikt. Er is onder andere een fotogram van negen liggende vrouwen. Levensgroot zweven de witte figuren over het zwarte papier, het licht lekt in rode randen om de lichamen heen. De ontwikkelaar is met de hand over het papier gekwast, de kwaststreken, haastig gedaan in het donker, geven hier en daar een schilderkunstig effect. Dit werk roept associaties op met de afdrukken die Yves Klein met blauwe verf maakte van vrouwen, en met de fotografische beelden op muren en asfalt na de kernexplosie op Hiroshima. Het wonderlijke chemische proces van lichtgevoeligheid, van positief en negatief, van de inwerking van licht op materie, wordt hier zichtbaar. Het is een aardse, tastbare fotografie, eigenlijk een vorm van anti-fotografie. Het is alsof Ulay de foto een levende huid wil geven, alsof hij de grens tussen afbeelding en werkelijkheid op wil heffen. Ook het feit dat hij de lichtwerende gordijnen in de tentoonstellingszaal van de ramen verwijderd wijst daarop. Het zonlicht heeft vrij spel over de glanzende foto's en er ontstaan grillige lichtdonker patronen: het beeld als resultaat van een wisselwerking tussen echt licht en kunstlicht.

,,Het is optiek en chemie; het licht doet het werk van de fotografie. Het licht is uiteindelijk alles. Ik gebruik de fotografie op een experimentele manier. Er is in Nederland op dit moment een opleving in de fotografie van onder anderen Inez van Lamsweerde, Céline van Baalen, Liza May Post. Ze gebruiken allemaal grote technische camera's. Er is een enorme drang naar superlatieve beelden die de mensen moeten verbazen. De honger is onverzadigbaar: we pakken maar wat we pakken kunnen, hoe penetranter, hoe beter. Het levert mooie beelden op, maar dat is niet wat ik wil. Die mooie beelden sluiten naadloos aan bij de schilderkunst. Schilders hebben het in de twintigste eeuw niet belangrijk gevonden om de sociale werkelijkheid te verbeelden. Ik ben niet geïnteresseerd in een formele esthetische kunst. Mijn foto's zijn ook niet altijd interessant als autonome beelden; mijn verhaal is autobiografisch, en de foto's zijn daar de neerslag van. Ik probeer mij zó open te stellen dat er incidenten gebeuren. Mijn beste werk komt uit incidenten voort, en niet, in ambachtelijke zin, uit mijn hand. Mijn werk is gerelateerd aan mijn bestaan, aan angsten, vreugde, pijn, verplichtingen. Ik ben niet met kunst bezig, maar met de werkelijkheid.''

Ulay: Performing Light, overzichtstentoonstelling 1970-2000, bij De Appel, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. T/m 22 oktober.

What is that thing called photography. Het Domein, Kapittelstraat 6, Sittard. T/m 22 oktober.

Fotowerken van Ulay/Abramovic bij galerie Art Affairs, Witteburgergracht 313, Amsterdam. Tot 16 december.

Boek: What is that thing called photography, ƒ50,-.

Ulay is tijdens zijn tentoonstelling dagelijks aan het werk in De Appel.

Hij nodigde gast-curatoren uit om een selectie van zijn werk te maken. De eerste opstelling is van de Amerikaanse criticus Thomas McEvilley.

Tot zijn eigen verwondering is Ulay uitgegroeid tot een goeroe voor de jongste generatie kunstenaars