België wil helderheid over Europese integratie

België heeft gisteren bij monde van premier Verhofstadt positie gekozen in het debat over de toekosmt van Europa. Met de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, bepleit hij de keus van een helder einddoel.

De opstelling van de Belgische liberale premier Verhofstadt in het debat over de toekomst van Europa staat haaks op die van de Nederlandse regering. Verhofstadt vindt intergouvernementele samenwerking binnen de EU slechts aanvaardbaar ,,als tussenstation naar eenmaking''.

In de eerder deze week, op Prinsjesdag, uitgebrachte nota `Staat van de Europese Unie' schrijft de Nederlandse regering dat de huidige combinatie van intergouvernementele en supranationale samenwerking de kern moet blijven van de EU. ,,Waar nodig moet binnen de Unie ruimte bestaan voor intergouvernementele samenwerking en nieuwe integratietechnieken''.

Volgens minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) wil de Nederlandse regering geen duidelijke standpunten innemen over de Europese toekomst op langere termijn. Nederlandse suggesties over de mogelijkheid van de instelling van een Europese senaat of de invoering een Europees correctief referendum zijn volgens Van Aartsen slechts bedoeld om een discussie over de toekomst van Europa te stimuleren.

De toespraak van premier Verhofstadt gisteren bij het European Policy Centre, een Brusselse denktank, vormt ook een schril contrast met de houding van de meeste EU-ministers van Buitenlandse Zaken. Die lieten eerder deze maand tijdens informeel overleg in het Franse Evian weten niet te voelen voor een discussie over het uiteindelijke doel van de Europese integratie. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Michel, een Franstalige liberaal, verzette zich toen niet tegen deze opstelling. De Franse minister Védrine was daarentegen tevreden, omdat Frankrijk als huidig EU-voorzitter vreest dat discussies over de toekomst van Europa een belemmering kunnen vormen voor het succesvol afsluiten van de onderhandelingen over wijziging van het Verdrag van de EU in december in Nice.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, heeft afgelopen voorjaar de aanzet gegeven tot het Europese debat met voorstellen voor een federale Europese structuur. Volgens Fischer dwingt de komende uitbreiding van de EU met lidstaten in Midden- en Oost-Europa tot het vaststellen van het einddoel van de Europese integratie. Dat is lange tijd vermeden omdat het te omstreden was. De Franse president Chirac heeft in een reactie op Fischer gepleit voor een eigen EU-grondwet en voor de mogelijkheid een kleine kern van EU-lidstaten te vormen die verder integrereren dan het geheel.

De Belgische premier Verhofstadt zei gisteren dat een discussie over een einddoel geen voorwendsel mag zijn om het ambitieniveau van lopende onderhandelingen over het EU-verdrag te verlagen. Volgens hem kan de EU zoals die er nu uitziet ,,nooit het eindobjectief zijn''. Hij zei dat daarvoor de werking van de EU te mank loopt. Hij waarschuwde voor het gevaar dat EU-lidstaten genoegen nemen met de huidige situatie en gaan pleiten voor herstel van de oude soevereiniteit.

Als het debat over het einddoel van de Europese integratie, aldus Verhofstadt, niet in een hogere versnelling wordt gebracht, bestaat de kans van toenemende weerstand tegen uitbreiding van de EU. Die uitbreiding met landen in Midden- en Oost-Europa is volgens hem even belangrijk als de Duitse eenwording na de val van de Muur van Berlijn.

De Belgische premier zei te vrezen dat intergouvernementele samenwerking in de EU leidt tot een ,,directoire'', een overheersing door enkele grotere lidstaten. Volgens Verhofstadt lijdt de euro momenteel aan het ontbreken van een geïntegreerd gezamenlijk sociaal-economisch beleid. Hij voorspelde dat het Europese beleid op het gebied van asiel, migratie en justitie niet tot resultaten zal leiden als het alleen van intergouvernementele afspraken afhankelijk blijft. Zulke afspraken vereisen eenstemmigheid, wat volgens Verhofstadt dikwijls gelijk staat met ,,besluiteloosheid en onmacht''.

Verhofstadt zei te vrezen dat de huidige discussie in de EU over versterkte samenwerking, waarbij een groep landen op onderdelen van het beleid sneller zou moeten kunnen integreren dan het geheel, in de richting gaat van intergouvernementele samenwerking ,,waarbij een aantal lidstaten zich op een aantal domeinen losscheurt, met een secretariaat dat buiten de communautaire instellingen om werkt''.