Oude en nieuwe toekomstvoorspellingen

Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat. Een mooi voorbeeld hiervan is de olieprijs. Een serieus blad als The Economist voorspelde vorig jaar, in het nummer van 6 maart, een drastische val van de toen toch al lage olieprijs. Het tegendeel bleek het geval. De olieprijs steeg daarna immers tot ongekende hoogte. (Overigens wijdde The Economist in het kerstnummer van dat jaar een artikel aan de verkeerde voorspellingen die de redacteuren hadden gedaan, waaronder deze: een, naar ik meen, unieke gebeurtenis in de journalistiek).

De voorspelling van The Economist had betrekking op een relatief simpel onderwerp. Sommige voorspellers gaan echter veel verder en proberen een alomvattend beeld van de toekomst te geven. Aldous Huxley deed dat op literaire wijze in zijn beroemde roman Brave new world uit 1932. Huxley deed hierin overigens heel wat correcte voorspellingen. Zo voorspelde hij dat men in de toekomst in zes en een half uur tijd van Londen naar Amerika zou vliegen en dat iedereen televisie zou hebben. Hij voorspelde ook kunstmatige bevruchting en klonen.

In de jaren 1960 streefde de toekomststudie naar een hogere status. Zij wilde van fictie wetenschap worden: de futurologie. In 1967 publiceerden twee bekende auteurs, Herman Kahn en Anthony J. Wiener, een boek met de pakkende titel The year 2000 – A framework for speculation on the next thirty-three years. Zij voorspelden hierin onder veel meer dat de wereldbevolking in 2000 niet zeven miljard mensen zou tellen, zoals toen werd voorspeld, maar aanzienlijk minder, misschien zelfs maar vijf miljard. Dat was dus niet zo gek gezien. De arbeidstijd in Amerika, zo schreven zij ook, zou teruglopen van tweeduizend uur per jaar tot zeventienhonderd à negentienhonderd uur, maar vijftienhonderd uur was ook mogelijk en duizend niet uitgesloten. Met zo'n voorspelling kun je natuurlijk alle kanten uit.

Met de futurologie is het niet veel geworden, maar boeken over de toekomst zullen wel altijd blijven verschijnen. De behoefte eraan is kennelijk van alle tijden. Onlangs kwam ik een tekst uit 1872 tegen. Daarin staat onder meer het volgende: ,,Drie uitvindingen, die misschien nog ver in de toekomst liggen, maar misschien ook voor de deur staan zullen [...] gunstige levensvoorwaarden scheppen [...]. De eerste is de uitvinding van een beweegkracht om de stoom te vervangen, die te omslachtig is door zijn afhankelijkheid van kolen- en olievoorraden; de tweede is de uitvinding van een luchtvoertuig, dat tegen minimale kosten aan tijd en geld werkkrachten naar ieder deel van de planeet zou kunnen brengen en in korte tijd nationale verschillen zou uitwissen, doordat het het begrip afstand zou opheffen. De derde uitvinding is de uitvinding van een manier om in het laboratorium langs chemische weg vlees en meel te bereiden uit de elementen, zoals het nu in het lichaam van plant en dier geschiedt.''

Tot zover gaat het om tamelijk concrete dingen, maar hierna neemt de tekst een welhaast lyrische wending: ,,Men zou dan zeer goedkoop onbegrensde hoeveelheden voedsel kunnen fabriceren. Ons verlicht nageslacht zal op ons, die ossen en schapen eten, misschien neerzien, zoals wij op de menseneters neerzien. Honger en hongersnood zullen dan verdwenen zijn en het beste deel van een mensenleven zal dan niet meer verloren gaan met de moeizame bewerking van de grond. De bevolking zal aanzienlijk toenemen, de aarde zal een tuin worden. De mens zal niet alleen de boze krachten in de wereld maar ook de boze krachten in zijn binnenste overwinnen. Hij zal de lage instincten en neigingen, die hij van de dieren geërfd heeft, onderdrukken. Ziekten zullen niet meer voorkomen. De oorzaken van vernietiging zullen uit de weg geruimd worden. De onsterfelijkheid zal uitgevonden worden. Dan zal de mensheid, omdat de aarde te klein is, de ruimte in trekken en de grote luchtloze woestijnen tussen de planeten en de zonnen doorkruisen. De aarde zal een Heilig Land worden, dat door pelgrims uit alle delen van het heelal bezocht wordt. De mens zal de natuurkrachten beheersen. Hij zal zelf zonnestelsels en werelden bouwen. Dan zal de mens volmaakt zijn, dan is hij zelf schepper.''

Deze opmerkelijke voorspellingen en beschouwingen zijn te vinden in het boek Martyrdom of man van Winwood Reade. De citaten zijn ontleend aan de Nederlandse vertaling ervan door J.E. Romein, de zoon van de bekende historicus Jan Romein, welke laatste er een inleiding voor schreef. Reade is thans een vrijwel vergeten figuur (al is de Nederlandse vertaling van zijn boek van 1942 en verscheen er in 1951 nog een herdruk van). Hij was bepaald geen eminente, maar wel een zeer curieuze Victoriaan. Oud is hij niet geworden, want hij overleed in 1879 op zesendertigjarige leeftijd. Reade was als student in Oxford mislukt en had daar een brandend verlangen naar eerherstel aan overgehouden. Dat kwam vooral tot uiting in een rusteloze reislust en een onstuitbare schrijfdrift. Hij reisde in 1862 naar Afrika en werd daar ernstig ziek. In 1868 maakte hij een tweede reis hierheen. Hierbij werd hij niet alleen opnieuw ziek, maar raakte hij ook in gevangenschap. In 1873 ging hij voor de derde en laatste maal naar Afrika, ditmaal als verslaggever over de Engelse Asjanti-oorlog.

Zijn gezondheid was door deze reizen voorgoed bedorven, maar dit belette hem niet ongelooflijk veel te schrijven en te publiceren. Tussen zijn tweeëntwintigste en zijn zesendertigste publiceerde hij maar liefst negen boeken. Zijn oeuvre bestaat uit romans, reisbeschrijvingen en studies. Martyrdom of man is ongetwijfeld zijn belangrijkste en origineelste werk. Hij bood hierin een nieuwe en voor zijn tijd originele visie op de wereldgeschiedenis. Het bijzondere hiervan was vooral, dat hij het zogenaamde Europacentrische geschiedbeeld overwon en Afrika een belangrijke plaats in de wereldgeschiedenis gaf. Anders dan veel van zijn tijdgenoten beschouwde hij Afrika namelijk niet als een van de hoofdstroom der geschiedenis afgesneden en daardoor onontwikkeld continent, maar als een integraal deel van de mensheid en haar geschiedenis. De Afrikaanse geschiedenis was in zijn ogen een volwaardig onderdeel van de wereldgeschiedenis. Deze visie was opmerkelijk. De Afrikaanse geschiedenis zou immers pas honderd jaar later een plaats in ons westerse geschiedbeeld krijgen.

Reade's toekomstvoorspellingen waren romantisch en poëtisch, maar de gedachte erachter was niet zo opmerkelijk. Het geloof dat de wetenschap ooit alle raadsels zal oplossen en al het lijden van de mensen zal wegnemen is een oude gedachte. Het is een verwachting die ook nu nog bestaat.