Oost-Timor en de Calimero-strategie

Uiteindelijk is het zaaltje ouderwets verhit. Dat komt door teveel warme studiolampen aan het plafond en helemaal niet door oplopende emoties, natuurlijk. Het is dinsdagavond, de avond van de door Vrij Nederland georganiseerde Sander Thoenes-lezing in de Amsterdamse discussietempel De Balie. De naam van de lezing is onwerkelijk: een persoon is getransformeerd tot een abstractie ter invulling van het publiek. Sander Thoenes werd vandaag precies een jaar geleden door het Indonesische leger op dertigjarige leeftijd vermoord in Dili, de hoofdstad van Oost-Timor. Hij was correspondent in Jakarta voor de Financial Times. Daarnaast schreef hij voor The Christian Science Monitor en soms voor Vrij Nederland, dat zijn verhalen overigens tot zijn ergernis meestal op de plank liet liggen. VN-hoofdredacteur O. Garschagen spreekt. Het is na de begrafenis van Sander Thoenes, vorig jaar, de tweede keer dat ik Garschagen zie optreden en het is nu duidelijk: hij is de koning van de qualitate qua-toespraak met een perfect getimede afwisseling tussen holle praatjes en kan-ik-hier-weg lichaamstaal. Maar, sudah, zoals mijn moeder vroeger zei: laat maar.

De Amsterdamse socioloog Jan Breman houdt de lezing over persvrijheid en nog vele andere onderwerpen waaronder de voorzichtigheid van Nederland en dan met name van de ministers van Buitenlandse Zaken om op te treden in het buitenland. ,,Pijnlijke kwesties worden op delicate wijze aan de orde gesteld,'' zegt Breman. Vooral als het om Indonesië gaat. De achtergrond hiervan is dat harde taal of robuust optreden, volgens de bij BZ vigerende kwasi-antropologische theorieën, in de Javaanse cultuur gezichtsverlies oplevert en alleen maar een contra-productief effect heeft. Dat fabeltje ontmaskert op deze avond Liem Soei Liong, mensenrechtenactivist en Indonesiër. ,,Delicaat aan de orde stellen,'' zegt hij, ,,daar bereik je niets mee. Harde maatregelen nemen is het enige wat werkt''.

Harde maatregelen. Sander Thoenes is een jaar geleden vermoord. De Nederlandse ambassadeur te Jakarta bezwoer destijds op een herdenkingsbijeenkomst dat de ,,onderste steen boven zou komen''. Nederland zond twee politiemensen naar Oost-Timor die daar uitgebreid forensisch onderzoek hebben verricht. Daardoor is vast komen te staan wie het gedaan hebben: soldaten van het bataljon 745 van het Indonesische leger onder commando van luitenant-kolonel Sarosa. Minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie van de gedode Nederlandse journalist aan de orde gesteld bij zijn Indonesische ambtgenoot. Ongetwijfeld ,,op delicate wijze''. Begin dit jaar heeft Van Aartsen het dossier overhandigd aan de Indonesische minister Shihab van Buitenlandse Zaken. Procureur-generaal Marzuki Darusman, Indonesiës hoogste aanklager, beschikt dus dankzij het werk van de Nederlandse inspecteurs over een uitbreid dossier in de zaak Thoenes.

Alleen gebeurt er niets. De Verenigde Naties dreigden vorig jaar met het instellen van een speciaal tribunaal, analoog aan de tribunalen voor Rwanda en Joegoslavië in Den Haag, maar Jakarta wist dat te bezweren. De Indonesiërs zouden zélf een mensenrechtentribunaal opzetten en zelf hun schurken berechten. En de wereldgemeenschap stemde toe: Indonesië moet gezichtsverlies bespaard worden, zoals bekend. In Jakarta voert men sindsdien een fijne komedie op van hoge militairen die met veel bravoure op de koffie komen bij Darusman om te verklaren dat zij van niets weten, dat het overigens allemaal wel meeviel in Oost-Timor. Alle verhalen over moorden, plunderen, brandschatten, deporteren en verkrachten? Zwaar overdreven.

Hier past een kleine correctie: er is wél iets gebeurd. Niet lang geleden is in de Indonesische Volksvertegenwoordiging de wetgeving gepasseerd die de instelling regelt van het mensenrechtentribunaal. Deze instantie kampt echter als het om Oost-Timor gaat met een kleine handicap: het mag geen kwestie beoordelen van vóór de eigen installatie.

Van Nederlandse zijde wordt, althans in het openbaar, niet meer gerept over de gedode journalist. Nederlandse ministers leggen wel bezoekjes af in Jakarta maar dat gebeurt meer in het kader van de bevordering van de verkoop van Nederlandse kunstmest, bier en gloeilampen.

De beproefde Nederlandse Calimero-strategie, waarbij Nederlandse ministers en diplomaten zich verschuilen achter de geringe omvang en het geringe belang van dit land, moet eindelijk eens worden herzien. Portugal heeft aangetoond, door de afgelopen jaren binnen de Europese Unie en bij andere internationale fora aandacht te blijven vragen voor de kwestie Oost-Timor, dat `robuust optreden' ook succesvol kan zijn.

Nederland kan dat ook. De minister van Buitenlandse Zaken zou binnen de VN moeten aandringen op het instellen van een speciaal Oost-Timor tribunaal. En als hij dat niet uit eigen beweging doet zou de Tweede Kamer hem daartoe moeten dwingen. Voor één dode Nederlandse journalist? Ja. En voor de honderden anonieme Oost-Timorezen die zijn omgekomen in de Indonesische septemberfurie vorig jaar.