Nachtbus naar Montenegro

De nachtbus van Sarajevo naar Podgorica, de hoofdstad van Montenegro, zit halfvol zwijgende reizigers. Zelfs de soldaten van Republika Srpska die nu en dan aan boord komen om papieren te controleren, gunnen je paspoort niet meer dan een blik.

Het is zondagnacht, het regent, geen tijd om je druk te maken. Denk ik. Hoop ik.

Ik heb wat men noemt een gecalculeerd risico genomen. Voor de VPRO-radio ben ik op pad om een reportage te maken in Montenegro, vlak na het (voorlopige) einde van de oorlog om Kosovo.

De Joegoslavische autoriteiten geven geen visum aan journalisten uit NAVO-landen, maar het ministerie van Informatie van Montenegro heeft mij van harte welkom geheten.

Zonder problemen passeer ik de grens, de fles Jack Daniels in mijn koffer blijft onaangeroerd.

Om één uur 's nachts rijdt de bus Montenegro in, maar vijfhonderd meter verder stoppen we alweer. Aan de kant van de weg zitten zes militairen rond een kampvuur. Een jonge man in een nog niet eerder gezien uniform betreedt de bus en vraagt naar papieren.

Mijn paspoort moet mee naar buiten, en even later ik ook. Ja, neemt u uw bagage vooral mee. Inmiddels heb ik begrepen dat ik te maken heb met een checkpoint van het Joegoslavische leger. Zorgen begin ik me pas te maken wanneer de bus zonder mij doorrijdt. ,,U heeft geen visum voor Joegoslavië'', verheldert de commandant mijn probleem.

,,Maar Montenegro heeft de visumplicht opgeheven'', probeer ik. ,,Dit is Joegoslavië'', bast de man en deze dialoog vat exact de dubbelzinnige staatkundige verhouding samen waarin ik verstrikt ben geraakt.

Vervolgens golft ons samenzijn heen en weer tussen het uitwisselen van geschenken (rakija, shag, een flesje whisky misschien?) en dreigementen: ,,Geen visum, daar staat zes maanden op. Uw land heeft onze burgers gebombardeerd. U bent een spion.'' Mijn bagage wordt doorzocht en al snel blijkt dat ik geen toerist ben.

,,Wat doet u met een cassetterecorder?'' Ik verzamel volksmuziek. ,,Ha ha, in de oorlog zeker.'' Ja, dan is het volksgevoel het meest intens. ,,En hier, een brief van een verdacht radiostation.'' Ja, daar vind ik vast goeie volksmuziek. Oké, ik ben journalist. En wat nu? Wachten op de volgende bus, zo blijkt.

Geboeid en bewaakt rijd ik mee naar Niksic, waar we uitstappen bij de kazerne. De wacht wordt gewekt en we nemen plaats in zijn kille hok. Ik slaag erin met de handboeien aan een shaggie te draaien. Dat dwingt blijkbaar respect af, want de boeien gaan eraf.

Ik voel me even de morele overwinnaar.

Het officiële verhoor begint zodra de commandant is gearriveerd. Blijkbaar slaag ik erin alle vragen goed te beantwoorden. In mijn beste Servisch betoog ik hoe crimineel de NAVO bezig is haar eigen bestaansrecht te bewijzen in Kosovo.

Er zijn tenslotte meer onschuldigen gedood dan gered door operatie Resolute Force.

Het eind van het liedje is dat ik terug mag naar Sarajevo. Zelfs mijn zakmes van de Koninklijke Landmacht mag ik houden.

Profiterend van de eerder genoemde dubbelzinnige verhoudingen rijd ik twee dagen later in de auto van de Montenegrijnse politiecommandant ongehinderd langs hetzelfde checkpoint en doe waar ik voor gekomen ben.

Dat was zomer 1999.

Zomer 2000 kan het anders lopen.