Mevrouw

Wat doet die mevrouw daar op die cementen sokkel?

Dat is de vraag die bij de onwetende wandelaar opkomt die het Van Heutsz-monument op het Amsterdamse Olympiaplein nadert. Als het monument in het nieuws kwam, had hij altijd gedacht aan het beeld van een besnorde, martiale veldheer. Maar dat beeld heeft nooit bestaan.

De wandelaar zal niets wijzer worden als hij de stenen kolos en de bijbehorende muren inspecteert. Wat hij precies ziet, is dit: die mevrouw met de blinde blik en een soort lint over haar voorkant, twee leeuwtjes aan haar voeten en een sokkel met al even moeilijk te duiden reliëfs. Uit de sokkel steken twee roestige spijkers. Daar hing de plaquette met de naam en beeltenis van Van Heutsz – tot 1984, toen een onbekende dader het zaakje weghaalde. Vóór de mevrouw bevindt zich een vijver met grijs, drabbig water waarop tientallen blikjes frisdrank drijven. De helft van de sproeiers werkt niet.

Geen enkel spoor dus van tekst en uitleg. Dat die mevrouw het gezag in Nederland en in `ons' Indië symboliseert en dat het lint een wetsrol is, zal de wandelaar thuis moeten opzoeken.

Amsterdam-Zuid voelt zich met een soort steenpuist opgescheept die nodig moet worden uitgeknepen. Het ligt allemaal erg gevoelig. Van Heutsz was toch een koloniale oorlogsmisdadiger? Jawel, maar hij... Precies – daarom ligt het zo gevoelig. Maar daarom zou er nu toch nog wel een verklarend bordje mogen hangen? En moet een op zichzelf fraai monument per se verwaarloosd worden zolang we niet weten wat we ermee gaan doen?

Geen vragen die deze week aan de orde kwamen op de inspraakavond van het Stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid. Daar draaide het vooral om die gevoelens, verpakt in de rituele woede van de een tegenover die van de ander. Het ging over het advies van het Clingendael Instituut. Dat luidt: naam en portret van Van Heutsz keren niet terug, het monument wordt een gedenkteken voor de hele koloniale periode en er komt alleen de tekstregel: `1596 Nederland Indië 1949'.

Er zaten twee mannen van Indonesische afkomst in de aula van het Amsterdams Lyceum, waar de inspraakavond werd gehouden. Een van hen onderbrak steeds verbitterd de sprekers die vonden dat het monument als Van Heutsz-monument behouden moet blijven, al was het alleen maar omdat je het verleden niet kunt wegpoetsen.

,,Je richt toch ook geen monument voor Hitler op'', schreeuwde de Indonesiër dan.

,,Concentratiekampen worden ook bewaard.''

,,Maar niet in Nederland.''

,,Ga maar kijken in Westerbork.''

Zonder holocaust kom je niet ver op zo'n inspraakavondje. Gelukkig is er na een uurtje altijd weer de koffiepauze. Ik liep naar buiten – naar de mevrouw met haar leeuwtjes op die sokkel, in de volksmond ook wel genaamd: `Juffrouw Jansen laat de hondjes uit.'