Gedoogbeleid

DE JONGERENORGANISATIES van de politieke partijen hebben elkaar over alle inhoudelijke verschillen heen gevonden in een gezamenlijke afkeer van het Nederlandse gedoogbeleid. Het moet maar eens uit zijn met het toestaan van wat verboden is. Regels zijn regels. Het is ja of nee en niet een beetje van elk. Natuurlijk zijn politieke compromissen soms onvermijdelijk. Maar dan dient het ook uit te zijn met het ,,zwalken'', met het oogluikend toestaan van het tegenovergestelde van wat besloten is.

Als een pleidooi voor politieke duidelijkheid is het manifest van de jongerenorganisaties welkom. Maar van gedogen hebben zij weinig begrepen. Ieder modern land doet er aan en met goede redenen. Wetgeving heeft altijd ongewenste bijwerkingen. Afzien van handhaving getuigt dan niet van zwakte, maar juist van respect voor de norm. Nederland onderscheidt zich wel door er openlijk voor uit te komen. ,,Wij zien niet door de vingers, wij hebben de hele hand voor onze ogen weggehaald'', zoals de vorige minister van Justitie Sorgdrager het uitdrukte.

Vanuit het oogpunt van helderheid zouden de politieke jongeren dat juist moeten waarderen. Hoe komt het dan dat zij toch niets van gedogen moeten weten? Dat komt doordat zij het vooral zien als een vorm van `laat maar waaien'. Het is zeker waar dat het daar maar al te makkelijk op uitdraait. Dat is echter geen gedogen, maar lamlendigheid of gemakzucht. En dat is heel wat anders, zoals Sorgdrager duidelijk maakt in haar nog altijd lezenswaardige beleidsnota Gedogen in Nederland uit 1996: ,,gedogen uit onwil is per definitie onaanvaardbaar''.

Gedoogbeleid dat die naam verdient is niet synoniem met het achterwege blijven van overheidstoezicht. Het is juist een gerichte keuze, vaak ook nog op gevoelige terreinen. Nederland had op dit gebied in de zeventiende eeuw al een reputatie te verliezen. De politieke jongeren van nu zouden beter eens ernst kunnen maken met het gedoogbeleid.