Drinken uit de beker des overvloeds

Wie studeert, verblijft in een soort Wonderland. Een lange zoektocht volgt door een onbekende wereld vol zin en onzin. Alles draait uiteindelijk om keuzes maken. De student als hedendaagse Alice.

STEL DE HEDENDAAGSE student de vraag: `Wie schreef Alice in Wonderland, en waar gaat dat boek over?' Is zijn antwoord dan:

A dat weet ik niet en dat wil ik ook niet weten want daar krijg ik geen studiepunten voor

B dat is geschreven door Carl Lewis en gaat over hardlopen

C hm, een interessante vraag; daar ga ik over nadenken

D dat is geschreven door Lewis Carroll en het gaat over mij.

Alice in Wonderland (1865) werd geschreven door Lewis Carroll. Op een heerlijke zomer-dag zit het kleine meisje Alice met haar oudere zusje in het park, als er plotseling een konijn met roze ogen voorbij komt rennen dat verzucht: ,,Oh grutjes, ik ben al veel te laat!'' Als Alice een slokje neemt uit een flesje met het opschrift `Drink Mij', wordt zij zo klein dat zij het konijn kan volgen en komt zij in Wonderland terecht. Voortdurend wordt zij daar lastig gevallen door pratende dieren en allerhande dwergjes met vragen over wie zij is, waarheen zij wil gaan en hoe groot zij wil zijn. Iedereen vindt Alice vreselijk dom aangezien zij niets weet van vakken als Ambitie, Krimpen & Uitrekken en Duizelen, die je in Wonderland al op de lagere school krijgt. Wanneer zij uiteindelijk weer groter wordt en terugkeert in de normale wereld, is zij ook geestelijk gegroeid. Ze heeft geleerd wie zij is en zij kan haar eigen keuzes maken.

Kent de student zijn klassiekers? Herkent hij, behalve een heel grote beker waarop staat `Drink Mij', nog ìets van zich zelf in de lotgevallen van Alice? Verzuipt hij in het grote aantal onzinvakken dat hij geacht wordt te kennen of weet hij zin en onzin goed te scheiden – en van beide te genieten?

Wonderland is de laatste tijd steeds drukker geworden. Cabaretiers Philip Walkate en Jan-Hein Reeringh, respectievelijk klaar en bijna klaar met studeren: ,,Het studentenleven heeft ontegenzeggelijk aan charme verloren. Steeds meer mensen blijven thuis wonen, in plaats van zich volkomen over te geven aan het 'student-zijn'. Dat heeft consequenties: als je nog bij je ouders woont kun je nu eenmaal niet zo hard op je bek gaan als wanneer je zelfstandig in een nieuwe stad gaat wonen.'' De tijd om je met zaken als onafhankelijkheid en zelfredzaamheid bezig te houden is er ook veel minder; de contemporaine student heeft haast. Voortdurend herinneren de konijnen van de faculteit en de studiefinanciering hem eraan dat hij al bijna te laat is. Toch moet hij in die korte tijd iets leren van 'vakken' als: Voldoen aan de Norm, Ambitie, Vervlakking en Relationele Vaardigheid.

Voldoen aan de norm

Bernard Rootmensen, studentenpastor aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), onderscheidt sinds de jaren zestig drie generaties studenten. De student in de jaren zestig en zeventig was `bevlogen en bewogen'. Geen maatschappelijke discussie werd uit de weg gegaan en wereldomvattende theorieën moesten een einde maken aan honger, oorlog en uitbuiting. Kortom, de samenleving in het algemeen was maakbaar, en in het bijzonder leek de ideale democratische universiteit binnen handbereik.

Tegelijkertijd maakten de hoogdravende idealen mensen ook ongelukkig; je moest niet in geringe mate politiek correct zijn om een beetje geaccepteerd te worden. Velen vroegen zich met Jan Blokker af `Ben ik eigenlijk wel links genoeg?'. Het was de tijd van het dogma-denken, van voor of tegen zijn. In relaties bijvoorbeeld leverde de opgelegde `vrijheid' veel schade op voor meisjes; je was al snel een trutje als je niet samenwoonde of op een andere manier aantoonde hoezeer jij je had vrijgevochten van de seksuele moraal van je ouders.

Toen het in het begin van de jaren tachtig steeds duidelijker werd dat mooie ideeën nog geen mooie wereld maakten, vond er een omslag plaats. Radicaal werd al het zachte geleuter over boord gezet; daarvoor in de plaats kwam een stevig No-Nonsense denken. De studie economie was favoriet, en vooral wat je ermee kon bereiken: een díkke baan, een snélle auto, een lékker wijf en bákken met geld. Ditmaal was het Doe Maar dat de vinger op de zere plek legde met `Is dit Alles?'.

Nee dus. Inmiddels ging het zo goed met de economie dat het niet meer zo moeilijk was om in alle materiële behoeften te voorzien. De uitdaging was er vanaf. Nu er weer tijd en geld was om je met andere dingen bezig te houden, werd diversiteit meteen ook de norm. Dat uit zich volgens Rootmensen onder meer in een groeiende belangstelling onder studenten voor spiritualiteit. Daarnaast is De Student Van Nu ook nog gewoon sociaal, sportief, ambitieus en besteedt hij aandacht aan zijn uiterlijk. Hij drinkt veel omdat hij `een gezellige vent' is, maar niet tè veel omdat hij morgen moet werken. En als `hij' een meisje is, denkt zij er alvast over na hoe zij later de `ideale vent' gaat combineren met de `ideale baan' met het `ideale kind' in een `ideaal gezin'. De student van nu wil Alles.

Ambitie

Al na het afronden van zijn tweede jaar is de student prooi voor de recruiters van bedrijven of daarin gespecialiseerde bureaus. Volgens Naud Frese, lange tijd recruiter voor werving- en selectiebureau KPMG-Ebbinge, is de student niet meer in de eerste plaats op zoek naar de dikke yuppenbaan; hij zoekt een baan met `maximum swing', waarin hij zich zo volledig mogelijk kan ontwikkelen. Dat kan zijn bij de baas die hem meteen verantwoordelijkheid geeft, of juist bij diegene die hem een uitgebreid traineeship biedt. Ook het buitenland is natuurlijk een optie; de baas wil dat je `happy' bent. Iemand die tussen acht en elf 's avonds en in het weekend lekker kan ontspannen, houdt het immers een stuk langer vol dan de streber die zichzelf in zijn vrije uurtjes nog eens extra de sporen geeft. Of je nu vier of zes jaar gestudeerd hebt, als je kunt uitleggen wie je bent, wat je kunt en waarom je die baan wilt, maak je een goede kans.

Vervlakking

Terwijl beelden uit Indonesië en China voortdurend studenten laten zien die zij aan zij vechten voor de goede zaak, is dat in Nederland al lang passé. Is `de bloem der natie' onverschillig geworden voor al wat niet haar eigen leventje betreft? Onderzoekers die vroeger zelf altijd even de barricaden op gingen alvorens zich naar hun college eksperimentele sociologie te spoeden, beweren van wel. De `in slaap gesufte' student is ongeïnteresseerd in politiek, plakt niet in het holst van de nacht vurige pamfletten op de faculteitsdeur en heeft een broertje dood aan demonstreren. Allemaal waar. Aan de andere kant blijkt een onderzoek uit 1996 van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) dat een kwart van de studenten vrijwilligerswerk doet. Een enquête van het Instituut voor onderwijskundige dienstverlening (IOWO), twee jaar later gehouden onder 1.500 Nijmeegse studenten, geeft zelfs aan dat de helft onbetaald werk verricht. Nu gebiedt de eerlijkheid te vermelden dat het SCP de afgelopen jaren wel een dalende tendens waarneemt. Volgens een woordvoerder van de Amsterdamse Vrijwilligerscentrale is dat echter volledig te wijten aan de verkorte studietijd.

Wel is er volgens studentenpastor Rootmensen sprake van `uitgestelde volwassenheid'. Zoals vrijwilligerswerk dichter bij huis is dan `de wereld hervormen', zoekt de student zingeving dichtbij, en houdt hij zich minder bezig met de maatschappij of zijn plaats daarin. Vragen als `Waar doe ik het eigenlijk allemaal voor?' worden uitgesteld tot na de studie. Hij ziet echter geen schadelijke effecten. Wie erachter komt dat hij op de verkeerde plek terechtgekomen is, kan dat ook later nog gemakkelijk corrigeren. Wel vreest Rootmensen dat wanneer grote keuzes zo gemakkelijk ongedaan gemaakt kunnen worden, studenten in de toekomst helemaal niet meer zullen nadenken over de levensvragen die aan belangrijke keuzes ten grondslag horen te liggen.

Relationele Vaardigheid

In dit `vak' scoort de student meer punten dan ooit. Niet langer hoeft de relationele (seksuele) vrijheid bevochten te worden, maar belangrijker nog; je hoeft die vrijheid ook niet meer in de praktijk te bewijzen. Experimenteren is normaal, maar je kunt het evengoed laten. Er wordt meer dan vroeger waarde gehecht aan de band die met iemand is opgebouwd. Waar in de yuppentijd een zeventje snel ingeruild werd voor een toevallig passerende acht, is men nu meer bereid om voor het behoud van een relatie te vechten.

De band met de ouders is goed; het ouderlijk huis is niet langer een plek die zo snel mogelijk ontvlucht moet worden. Men blijft juist langer thuis omdat men er zich veilig voelt.

Toch stelde een artikel in de HP/DeTijd van 19 mei 2000 dat studenten vaak ongelukkig zijn. Het artikel was gebaseerd op een onderzoek van het Trimbos-instituut, waaruit bleek dat 33 procent van de jongeren tussen 18 en 24 jaar het afgelopen jaar psychische nood kende, tegenover 23,5 procent van de rest van Nederland. Uit interviews gehouden voor deze bijlage bleek daar echter niets van. En zijn deze percentages wel zo bevreemdend? Het is volstrekt logisch dat mensen in een periode van ontwikkeling wat vaker stress ervaren dan daarna. Omgekeerde uitkomsten zouden pas opzienbarend zijn. En een handjevol ongelukkigen als `bewijsmateriaal' is natuurlijk snel gevonden.

Hoe komt de student van nu uit Wonderland tevoorschijn? Heeft hij genoeg geleerd van zijn `vakken'? Het lijkt er wel op. Weliswaar heeft hij last van enige uitgestelde volwassenheid – maar ook Alice was niet in één klap volwassen. De student kan heel goed een relatie onderhouden en niets staat hem in de weg een gelukkig leven te leiden met een leuke baan. En wat betreft de multiple choice-vraag die dit stuk inleidde, zelfs als één van de eerste drie antwoorden gegeven wordt, is het laatste antwoord toch het juiste. Want nog steeds leert de student in Wonderland wie hij is, wat hij kan en waarheen hij wil gaan.