De prijs voor meer vrijheid

Studeren in Nederland wordt nooit meer zoals het is geweest. Zelfregie is het toverwoord in de nieuwe plannen van minister Hermans.

VROEGER WAS ALLES beter, lijkt het motto van deze tijd. Vooral wanneer het over onderwijs gaat. Studenten, leraren en werkgevers klagen eendrachtig dat de overheid onvoldoende geld over heeft voor het onderwijs, dat het niveau omlaag is gegaan en dat het onderwijs niet meer voldoende aansluit op de voortdurend veranderende samenleving. Over hoe het dan wel moet, zijn de meningen verdeeld. Terwijl de werkgeversorganisatie VNO-NCW moppert dat bedrijven te veel moeite moeten doen voordat zij afgestudeerde studenten kunnen inzetten, vinden veel wetenschappers dat het wetenschappelijk onderwijs verschraalt door het streven naar een goede aansluiting op de arbeidsmarkt.

Kritiek geven is gemakkelijker dan oplossingen vinden. De Nederlandse overheid lijkt ervoor te hebben gekozen om de bal terug te leggen bij de betrokken partijen en zelf een positie op afstand te kiezen. De uitgangspunten blijven dat Nederland onderwijs van goede kwaliteit moet leveren en dat dit voor iedereen toegankelijk moet zijn. Maar voor de wijze waarop die uitgangspunten gestalte moeten krijgen, legt de overheid de verantwoordelijkheid steeds vaker neer bij de onderwijsinstellingen en de studenten.

Een bekend voorbeeld zijn de kosten om te gaan studeren. Begin jaren tachtig werd de basisbeurs ingevoerd – toen uitdrukkelijk bedoeld om studenten financieel onafhankelijk te maken van hun ouders. Van dat streven is nog maar weinig over: de basistoelage is in de loop van de jaren zo verlaagd dat studenten de bijdrage van hun ouders weer hard nodig hebben. Wie van thuis geen geld kan verwachten, moet een lening afsluiten of naast de studie een bijbaan nemen. Uit een recent onderzoek van de vakcentrale Unie MHP blijkt dat de kosten om te gaan studeren de afgelopen tien jaar met 28 procent zijn toegenomen, terwijl tegelijkertijd de bijdrage van de overheid met een kwart is afgenomen. Om dat gat te dichten, is de bijdrage van ouders bijna verdubbeld en dragen studenten zelf 66 procent extra bij aan hun levensonderhoud.

Ook op andere delen van het onderwijsterrein trekt de overheid de handen terug. Zelfregie is het toverwoord, zo blijkt uit het vorig jaar gepubliceerde Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan (HOOP) van onderwijsminister Hermans. In dit rapport schetst de minister het beleid dat hij de komende vier jaar wil voeren voor het hoger onderwijs. Volgens het HOOP moet het hoger onderwijs meer ruimte krijgen om zich te ontwikkelen in een veranderde omgeving. Om die ruimte te realiseren, moeten belemmeringen die een slagvaardig opereren van instellingen in de weg staan, weggenomen worden.

Eenvoudig gezegd komt zelfregie er op neer dat instellingen meer vrijheid krijgen. De instellingen krijgen de verantwoordelijkheid voor het niveau van hun opleiding en daarmee voor de kwaliteiten van hun afgestudeerden. Iedere instelling bepaalt zelf de hoogte van de lat, zolang er aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Deze worden geformuleerd in een zogeheten accreditatiesysteem. Aangezien de instellingen afgerekend worden op het aantal afgestudeerden (ieder afgestudeerde levert een bepaald bedrag op), is het voor hen financieel aantrekkelijk om studenten te helpen die lat te halen.

Walter Dresscher, vice-voorzitter van de Algemene Onderwijs bond (AOb), acht het fnuikend voor de kwaliteit van het onderwijs wanneer de nadruk nog meer komt te liggen op het behalen van punten. Onderwijs is meer dan alleen kennis overdragen, vindt hij. Maudy Keulemans, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), ziet het positiever: ,,Accreditatie is een goed middel. Men moet er echter wel voor waken dat het stellen van randvoorwaarden aan de kwaliteit van het onderwijs er niet toe leidt dat opleidingen alleen zullen voldoen aan de minimale eisen.'' Daarom is het volgens Keulemans van belang dat er naast de accreditatie een goed systeem komt om te waarborgen dat de instellingen goede kwaliteit onderwijs leveren.

De plannen van minister Hermans om de verantwoordelijkheid meer bij de onderwijsinstellingen te leggen, dragen nog een ander risico in zich. Onderwijs moet, net als de gezondheidszorg, toegankelijk zijn voor een ieder. Om dat te blijven realiseren is centrale regelgeving nodig die deze toegankelijkheid garandeert. Een instelling mag nooit studenten gaan selecteren op zelf vast te stellen criteria, vindt onder andere het ISO. Een voorbeeld hiervan zou kunnen zijn dat instellingen zelf besluiten om `entreegeld' te heffen onder studenten.

Om te zorgen dat meer vrijheid voor onderwijsinstellingen geen chaos oplevert, is het ook belangrijk dat het hoger onderwijs personen opleidt met een eenduidige titulatuur. Binnen en buiten Nederland moet duidelijk zijn welke kwaliteiten de afgestudeerde Nederlandse student heeft. In het voorjaar van 1999 tekenden 29 ministers van onderwijs in Europa (waaronder minister Hermans) de zogenoemde Bologna-verklaring, waarin zij streven naar een eenduidige titulatuur. Maar Nederland is nog niet zo ver.

Met de introductie van het angelsaksische BaMa-model (Bachelor Master model), probeert minister Hermans meer helderheid te verschaffen over de waarde van de verschillende studies in Nederland. De invulling laat hij echter voornamelijk aan de leerinstellingen over.

Dat betekent dat essentiële vragen nog open blijven. Welke studenten mogen in de masterfase intreden? Wat is het niveau van het bachelordiploma op het moment dat studenten uitstromen? Zolang er geen antwoorden zijn, weet geen van de partijen waar zij aan toe is.

Hoop voor de toekomst? Het beleidsplan van Hermans trekt uit lijnen een kleurplaat op voor het hoger onderwijs. De inkleuring wordt grotendeels overgelaten aan het veld: instellingen, personeel, studenten en arbeidsmarkt. Op zich een verstandige stap, zo vinden de meeste betrokkenen. Nu kunnen de partijen, binnen door de overheid gestelde randvoorwaarden, zelf proberen om met goede oplossingen te komen en komen er meer kansen om snel te reageren op veranderende omstandigheden.

Om dit proces succesvol te laten verlopen, is het essentieel dat de overheid de tijd neemt. De Nederlandse samenleving is een verzorgingsstaat met de overheid als organisatorische spil. Door het belang van deze spil te af te zwakken, blijven er taken en verantwoordelijkheden liggen die de samenleving moet opvangen. Dat kost tijd en vraagt om een goede begeleiding van de overheid. De overheid kan nu niet in één keer achterover kan gaan leunen, vindt ook ISO-voorzitter Maudy Keulemans: ,,Ik vind het belangrijk dat de overheid zorg moet dragen voor de student en voor goed onderwijs, want het moet toegankelijk blijven voor iedereen.''