De pijnlijke voeten van de adel

De plateauzool is weer hardstikke hip. Dat was eerder zo in de jaren zeventig, maar ook al in de veertiende eeuw. L'histoire se répète, zeker in de wereld van de schoen. In het geval van de plateauzool mag dat enige verbazing wekken, want echt lekker loopt het niet. In de veertiende eeuw werden dames zelfs door bedienden overeind gehouden en menig hedendaags draagster zou ook wel een paar van die lieden kunnen gebruiken Het motto in de wereld van de schoen: gemak is niets, mode en status alles.

Dat dat motto al geldt sinds de Romeinse tijd, blijkt uit de tentoonstelling `Halve Zolen en Opgegraven Schoenen' in het Museum Scheveningen. De collectie bestaat uit archeologisch schoeisel uit de periode 200-1800. De schoenen die dateren uit de periode 1200-1800 werden gevonden bij opgravingen in onder meer Groningen, Dordrecht, Amsterdam en Den Haag. De vochtige grond heeft het leer van de schoenen goed geconserveerd, maar het ijzer – spijkers en gespen – is vergaan. Voor het Romeinse schoeisel dat werd gevonden in de Scheveningse duinen geldt het omgekeerde: in het zand is alleen het spijkerpatroon van de schoenzolen bewaard gebleven.

De schoenen vertellen een geschiedenis. Over maatschappelijke verhoudingen bijvoorbeeld. Zo was het in de 12de eeuw strikt verboden voor niet-adellijke burgers om de zogenoemde snavelschoen te dragen. Er zijn een paar met insnijdingen versierde exemplaren opgenomen in de tentoonstelling. Met hun lange spitse punten zien ze eruit als een soort narrenschoen. Maar in de 12de eeuw was deze schoen een serieuze zaak: hoe langer de punt van de schoen, hoe deftiger de drager. Op een gegeven moment werden de schoenneuzen zelfs zo lang dat ze met kettinkjes aan de broekspijpen moesten worden bevestigd.

De schoenen vertellen ook de geschiedenis van de veranderlijke mode. Was het tot in de 15de eeuw heel hip om lange smalle schoenen te dragen, in de 16de eeuw kwam de totaal tegenovergestelde koeienbekschoen in de mode bij de adel. De brede, vierkante, open schoen die eigenlijk alleen de tenen omsloot, moet haast ondraagbaar zijn geweest. Het wijdverbreide gebruik van de schoenen zegt veel over de moeite die men zich getroostte om met de mode mee te gaan. De minder welgestelden hadden het gemakkelijker: voor hen kwam de comfortabele muil op de markt.

Met een beetje fantasie kun je je bij de schoenen ook allerlei persoonlijke geschiedenissen voorstellen. Zo is er uit Den Haag een paar bandschoenen – een lage schoen met hielpanden die op de wreef worden vastgezet – te zien met een uitgelopen hiel. Een kaartje in de vitrine meldt dat de schoenmaat 39/40 te klein was voor de drager. Even flitst een beeld voorbij van een 17de-eeuwse zwaarlijvige bierbrouwer met rode wangen die woedend zijn knellende schoenen in de sloot achter zijn brouwerij in de Bierstraat gooit. Waar ze drie eeuwen later door de stadsarcheologen teruggevonden werden.

De hooggehakte herenschoen uit de 18de eeuw behoorde waarschijnlijk een man van adel toe. Hij moet er deftig hebben uitgezien met een grote strik op zijn schoenen, een driekanten steek op zijn witgepoederde pruik en een lange rokjas voorzien van een hele rij sierknopen. Met zijn o-benen moet het echter niet gemakkelijk zijn geweest om de parmantige schoenen te dragen; aan de opgegraven schoen is te zien dat de zijkant in de loop der tijd helemaal over de hak is gaan hangen.

Ten slotte vertelt de collectie ook de geschiedenis van het fenomeen schoen zelf. Tot de 15de eeuw konden schoenen alleen binnestebuiten worden genaaid en vervolgens omgekeerd. Hierdoor hadden de schoenen slechts één zool en waren ze zeer kwetsbaar. Om de schoenen te sparen en geen natte voeten te krijgen in de modder, droeg men buiten een zogeheten trip. Deze onderschoen lijkt qua vorm erg op een Friese doorloper met het verschil dat er geen ijzers onder zitten, maar houten plateauzolen. In de expositie zijn verscheidene van deze trippen en ook palatijnen (platte trippen) opgenomen.

Revolutionair in de geschiedenis van de schoen is de ontdekking van schoenmakers in de 15de eeuw dat, als ze het meegenaaide tussenrandje wat verlengden, ze daar een extra zool aan vast konden naaien. Minstens zo belangrijk is de ontwikkeling van de hak in de 16de eeuw. Deze bestond uit meerdere lagen en werd soms gevuld met kurk, hout of vilt. Van al deze veranderingen zijn voorbeelden te vinden in de expositie Halve Zolen & Opgegraven Schoenen. De collectie is klein – 120 schoenen – maar de meeste leren schoensoorten uit de periode 200-1800 zijn vertegenwoordigd. De meeste exemplaren zijn in bijzonder goede staat, waardoor de soms rijke versieringen van het leer nog goed zichtbaar zijn. Voor de schoenengek zeker de moeite waard, maar ook leuk voor normale mensen.

Tentoonstelling Halve Zolen en Opgegraven Schoenen, t/m 6 jan 2001 in Museum Scheveningen, Neptunusstraat 92, Scheveningen. Open: in sept ma t/m za 10-17u, vanaf okt di t/m za 10-17u. Toegang: ƒ5 volw., ƒ3 kinderen.

Inl 070-3500830