Academicus moet net zo vrij zijn als de rechter

Een wetenschapper moet een houding hebben als het jongetje in het sprookje, dat zegt dat de keizer geen kleren aan heeft. Hoe kan het universitair onderwijs zulke jongetjes – en meisjes – voortbrengen? In ieder geval niet door alle nadruk te leggen op praktische toepassingen en de derde geldstroom, meent Paul Cliteur.

Over de vraag waartoe een academische studie zou moeten opleiden zijn zeer geleerde werken geschreven, zoals Newmans magistrale The Idea of a University (1852) of Academic Duty (1997) van de Amerikaanse hoogleraar Donald Kennedy. Maar zeker zo relevant over dit onderwerp lijkt mij het sprookje van Hans Christiaan Andersen over de keizer die geen kleren aan heeft.

Het sprookje is bekend. Bedriegers spiegelden de keizer voor dat zij kleren konden maken die alleen zichtbaar zouden zijn voor diegenen die terecht een plaats aan het hof bekleedden. De keizer liet de kleren maken, trok ze aan en zowaar iedereen meende dat hij kleding aanhad, terwijl hij in werkelijkheid spiernaakt was. Alleen één klein jongetje zei: `maar de koning heeft geen kleren aan.'

Op het aanleren van een dergelijke houding zou de academische opleiding gericht moeten zijn. Maar hoe word je zo'n jongetje? Dat is niet eenvoudig. Het vergt eigen oordeelsvermogen. Het vraagt om lef. Het vereist een bereidheid om niet de gebaande paden te begaan. En het betekent dat je soms je reputatie op het spel moet zetten, omdat je met Luther moet zeggen: `Hier sta ik, ik kan niet anders', of met Galileï: `En toch beweegt zij'.

Zo'n houding is eigenlijk voor alles slecht: voor je baan, voor je vriendenkring, voor je maatschappelijk aanzien. Elke politicus weet dat je een idee pas moet lanceren wanneer daarvoor `draagvlak' bestaat. Het is een oer-Hollands spreekwoord dat je niet voor de muziek uit moet lopen. De houding van het jongetje is eigenlijk maar voor één ding goed: voor je zelfrespect.

En toch wordt de wereldgeschiedenis voortgestuwd door dit soort `jongetjes'. Ook de wetenschap wordt door hen gemaakt. De wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn heeft in 1962 een tegenwoordig welbekend begrippenpaar geïntroduceerd. Hij sprak van normale wetenschap en van revolutionaire wetenschap. De normale wetenschap is de wetenschap die binnen een reeds bestaand kader, een bekend `paradigma', blijft. Maar grote wetenschappers, zij die revolutionaire wetenschap forceren, kunnen het kader zelf veranderen. Luther, Copernicus, Darwin, Descartes en Einstein hebben dat op hun terrein gedaan. Zij durfden als enkelingen een hele hofhouding tegen te spreken, inclusief de vorst zelf.

De grote vraag die de universiteit zich zou moeten stellen is: `Kunnen we van die kleine jongetjes – en meisjes – voortbrengen?' Zo nee, dan is die opleiding niet veel waard. Zo ja, dan zou de universiteit van onschatbare betekenis zijn voor de cultuur.

Ik ben het natuurlijk grotendeels eens met het essay van Arjo Klamer in deze krant van 4 september. Met name zijn impliciet kritische woorden over de hedendaagse onzin van tweede (via NWO) en derde geldstroom (van het bedrijfsleven)-onderzoek zal echte wetenschappers uit het hart gegrepen zijn. Maar hij doet het academisch ideaal enigszins onrecht door de universiteiten als `kloosters van deze tijd' te kenschetsen. Daaruit rijst gemakkelijk het beeld op (onbedoeld, ongetwijfeld) van een nutteloos instituut. En dat is de academie allerminst. De paradox is juist daarin gelegen dat diegenen die zich in de academie hebben opgesloten om te speculeren over vragen die ogenschijnlijk van geen enkel praktisch belang leken, een enorme invloed hebben uitgeoefend op de manier waarop wij leven, terwijl de schijnbaar praktische denkers, reagerend op een `maatschappelijke vraag', op zijn best slechts inzichten van voorbijgaande aard hebben gepresenteerd.

Klamer benadrukt ook teveel dat bepaalde studies te praktisch zijn om aan de universiteit te worden gedoceerd. Rechten en `andere praktische vakken' zijn bij hem taboe. Maar rechten is een van de oudste academische disciplines waarvan Plato, Aristoteles en andere grootheden bepaald een hogere dunk hadden dan Klamer. In de rechtswetenschap gaat het om fundamentele vragen. Het privaatrecht is onder meer gericht op een voor onze cultuur belangrijk instituut als eigendom. Het publiekrecht omlijnt concepten als rechtsstaat, democratie, mensenrechten en de leer van de scheiding en het evenwicht van staatsmachten. In de rechtsgeschiedenis gaat het om de invloed van het Romeinse recht op de Europese cultuur. Rechtsgeleerden als Hugo de Groot, F.C. von Savigny, Hans Kelsen en Rudolph von Jhering hielden zich echt niet bezig met fondsenwerving en contractonderzoek. Friedrich Hayek en Max Weber, geleerden die ook voor het vak dat Klamer doceert, grote namen zijn, hebben een groot deel van hun inspanningen gewijd aan de rechtswetenschap.

Het probleem is dus niet de wetenschap op zichzelf (deze wetenschap is wel `wetenschappelijk', die niet), maar het feit dat bijna álle wetenschappen tegenwoordig de corrumperende invloed ondergaan van de vraag van de markt. Het jongetje uit het sprookje van Andersen kon zich losmaken van de cultuur, van wat `men' zei en dacht, van wat hij geacht werd te denken om mee te tellen bij de Sprachherrschaftsklasse. Maar wetenschappers die hun geld moeten verdienen op de markt, de fondsenwervers en netwerkers, kunnen het zich niet veroorloven buiten de geijkte paradigma's te treden. Doen ze dat wel, dan worden ze door beoordelingscommissies en geldschieters eenvoudigweg niet begrepen. Alleen de eerste geldstroom faciliteert het werk van Descartes, Galileï en Einstein. Stel je voor: `En wat bent u van plan de komende drie jaar te gaan ontdekken, mijnheer Einstein? Gelieve even in te vullen op dit formulier hoe u uw onderzoek wenst te structureren van maand tot maand'.

Een academisch geleerde zou een positie moeten hebben die te vergelijken is met die van een rechter: een vast salaris en een onafhankelijke status om eigen vragen te bedenken en heersende paradigma's volledig op zijn kop te zetten. Maar bij de tweede geldstroom moet de wetenschapper een vraag formuleren die binnen het kader valt van een voor hem onbekende beoordelingscommissie. Daarbij bestaat bij NWO bovendien het merkwaardige systeem dat men op naam een aanvrage doet, die vervolgens anoniem kan worden afgewezen. In een wetenschappelijke procedure behoort het precies omgekeerd te zijn: men zendt anoniem in om door een persoon die durft te staan voor zijn beoordeling te worden beoordeeld (met de naam van de beoordelaar ondertekend en zich dus niet verschuilend achter een `commissie'). Zo gaat het ook bij Amerikaanse wetenschappelijke tijdschriften. Een dergelijke procedure houdt een beoordelende instantie wakker en scherp. Men kan zich tenslotte als beoordelende instantie te kijk zetten door een onderzoeksvoorstel af te wijzen van een zeer gerenommeerd wetenschapper.

In een goed doordacht systeem zou een beoordelende commissie dan ook in zo'n geval dienen af te treden, zoals een minister die een grote fout heeft gemaakt of een bestuurder die van grove nalatigheid blijk heeft gegeven. Maar daar is geen sprake van. De samenstelling van die commissies blijft eeuwig hetzelfde en verandert pas wanneer de beoordelaars zelf in de gaten beginnen te krijgen, dat zij geen tijd meer voor serieus werk overhouden.

In elke wetenschappelijke discipline waarin werkelijk iets gebeurt, moeten aanhangers van verschillende benaderingen, visies en onderzoeksmethodieken in de volle openbaarheid met elkaar in debat gaan. Du choc des opinions jaillit la vérité. Die openbare strijd is onder vigeur van het heersende systeem voor een aanzienlijk deel vervangen door een achterkamertjespolitiek, waarbij men de onderzoeksvoorstellen waarin een verwante stamtaal wordt gesproken gehonoreerd probeert te krijgen en de onderzoeksvoorstellen die qua methodiek, opzet en wetenschappelijke traditie verschillen, worden afgekeurd.

Fnuikend voor de wetenschappelijke vooruitgang is ook dat men die onderzoeksvoorstellen – althans wil men succes hebben – moet herformuleren in trendgevoelige taal. Men moet naar literatuur verwijzen die courant is op het moment. Men moet geen literatuur aanhalen die wordt gezien als ouderwets. En ook al vindt men dat de keizer geen kleren aanheeft, dan is het verstandig dat niet te zeggen, want men moet verder aan het hof.

Derde geldstroomonderzoek heeft het voordeel dat men minder te maken heeft met intellectuele modes, maar zoveel te meer met modes van een ander soort: trends in het maatschappelijk debat, modieuze vraagstukken die na een paar jaar vergeten zijn.

De universiteit op de markt heeft ook een nieuw soort menstype doen ontstaan: de netwerker en fondsenwerver. Het is een hybride figuur tussen de wetenschapper pur sang en technisch- en onderwijsondersteunend personeel. Bij sollicitatieprocedures voor hoogleraren in vakken die sterk van derde geldstroom onderzoek afhankelijk zijn, zoals bestuurskunde, wordt al onbeschaamd gevraagd naar de bruidsschat van de kandidaat. De vraag of het in de wetenschap niet om de intellectuele rijkdom van de kandidaat zou moeten gaan, wordt weggelachen: nostalgisch gemijmer van een romanticus die niet met zijn tijd is meegegaan.

Het is waar: ,,There is a disposition in men to complain of the viciousness and corruption of the age in which they live'', zoals Joseph Butler schrijft in Fifteen Sermons: Preached at the Rolls Chapel (1726). Ook dit sermoen lijkt op basis van het voorgaande pessimistisch gestemd. Ik ben echter optimistischer over de toekomst dan Klamer. Ik geloof dat de wal het schip wel keert. De `Verelendungstheorie' zal ertoe leiden dat al dat `maatschappelijke vraaggestuurde' onderzoek zich na verloop van tijd vanzelf zal verraden als van inferieure kwaliteit. Er zal migratie van wetenschappers plaatsvinden van het praktisch onderzoek naar het vrije onderzoek. De wetenschap heeft in de loop der eeuwen al heel wat pogingen overleefd om haar te breidelen, evenals – nog erger – ongelukkige maatregelen om haar te stimuleren. Dat zal ook nu het geval zijn. Maar het kost tijd; en we raken achter op schema.

Prof.dr. P.B. Cliteur is als bijzonder hoogleraar filosofie verbonden aan de TU Delft en als universitair hoofddocent encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit van Leiden.