Van der Ploegs nut

`CULTUUR ALS CONFRONTATIE' betitelde staatssecretaris R. van der Ploeg zijn Cultuurnota 2001-2004. Zou hij die titel zo letterlijk hebben bedoeld als het nu uitpakt? Na twee jaar beleid van deze staatssecretaris staan de groeperingen met kwaaie koppen tegenover elkaar: gevestigd tegenover nieuw, jong tegenover oud, autochtoon tegenover allochtoon, wit tegenover zwart. Kunstenaars schofferen de leden van de Raad voor Cultuur en vice versa.In het kunstprogramma De Plantage was afgelopen zondagmiddag te zien hoe beschamend ongenuanceerd men wordt als bevordering van de ene groep ten koste moet gaan van de andere.

Als `verdeel en heers' duiden kunstenaars en kunstinstellingen het beleid van Van der Ploeg schamper aan. Dat is te veel eer. Verder dan `verdeel' komt het niet. Hij betoont zich een bestuurder met wie men zich verstaat omdat hij macht heeft en dus gevaarlijk kan zijn voor het eigen hachje. Twee jaar lang heeft hij zich nu laten zien als een staatssecretaris die niet serieus te nemen valt aangezien hij geen blijk geeft van inhoudelijke belangstelling voor de kunsten. Hij verwijst gretig naar het principe van de staatsman Thorbecke, die gezegd heeft dat de politiek niet moet oordelen over de kunsten. Maar zou Thorbecke hebben bedoeld dat een staatssecretaris voor cultuur de hele inhoudelijke kant van de kunsten ondergeschikt moet maken aan een eis tot aantoonbaar praktisch nut?

WANT DAT IS wat Van der Ploeg vanaf zijn eerste dagen in functie heeft beleden als zijn voornaamste criterium: dat de vraag van het publiek het ijkpunt moet zijn voor artistieke kwaliteit. Weet een toneelgezelschap geen jong publiek te trekken dan krijgt het een dikke onvoldoende. Komen er geen allochtonen luisteren naar een orkest dan presteert dat orkest onder de maat. Komen er meer mensen af op een concert van een Amerikaanse popgroep dan op een voorstelling van de Nederlandse Opera dan heeft die opera minder nut voor de Nederlandse muziekliefhebber dan die popgroep.

Kunst heeft zelden direct nut. Acteurs zijn niet op de toneelschool geweest om schooljeugd te overtuigen van de schoonheid van de toneelkunst, een dirigent is gehouden zijn orkest keer op keer op te zwepen tot het mooist mogelijke concert, niet om zich te bekommeren om een bepaald segment van de Nederlandse bevolking omdat de politiek dat graag sterker bij de samenleving zou betrekken.

Volgens Van der Ploeg krijgt artistieke kwaliteit pas betekenis in de confrontatie met het publiek en koningin Beatrix bepleitte gisteren in de twee zinnen in de Troonrede die ze wijdde aan kunst en cultuur `toegankelijkheid voor zoveel mogelijk burgers'. Jazeker, niemand mag worden uitgesloten van de kunsten en er moet ruimte worden gemaakt voor initiatieven als weerslag van denken en leven van uiteenlopende groepen mensen. Twee jaar lang was het mogelijk Van de Ploeg het voordeel van de twijfel te geven. Nu hij zijn beleid heeft vastgelegd in de Cultuurnota, blijkt het niet meer op te leveren dan onvruchtbaar verzet. Wie het niet met hem eens is, koestert wrok, wie hem volgt, glijdt af naar behaagzucht. En dan heeft kunst geen zin meer.